Home
Belijdeniscatechisatie
Bijbelstudie
De Catechisant
Studiemateriaal
Pastoralia
Contact
Links
Nederlandse Geloofsbelijdenis
JOHN BROWN VAN HADDINGTON
Wie heeft niet van de gebroeders Ebenezer en Ralph Erskines gehoord? Toch iedereen wel. Heel wat preken van hen zijn in het Nederlands vertaald; en ds. Th. van der Groe heeft in sommige boeken met preken een hartelijk voorwoord geschreven.
 
Over deze twee gebroeders schrijf ik nu niet, maar over een jongen die bij hen aan het Heilig Avondmaal mocht deelnemen en later door hen als student tot de heilige dienst en als predikant werd aangenomen.
 
 
        Jong wees
 
Het gaat over John Brown, een totaal onbekende predikant uit de kerk van de Erskines. Als jongen van elf jaar verliest hij zijn vader. Binnen enige maanden sterft ook zijn moeder, zodat hij jong wees is. Hij schrijft: 'Ik was jong toen mijn ouders stierven, maar hun onderwijs, vergezeld met Gods bemoeienissen met mij, heeft zo'n indruk op mijn hart gemaakt, dat het - naar ik hoop - mij bij zal blijven tot in alle eeuwigheid.'
 
Hij heeft bijna niets om op te steunen dan op de voorzienigheid van God. Hij vindt onderdak in een klein godvrezend gezin. Vier keren wordt ook de arme weesjongen getroffen door de slopende koortsen die zijn vader en zijn moeder naar het graf hebben gebracht. Wonderlijke goedheid van God is het, dat hij mag herstellen. Zijn zus wist dit doordat God haar beloofde: 'Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen en Ik zal hem Mijn heil doen zien.'
 
Deze ervaringen verwekken in het hart van deze ernstige bijna twaalfjarige jongen besef van de dingen der eeuwigheid. Hij gaat boeken lezen, zoals 'Betrouwbare gids naar de hemel', van ds. Alleine; 'Des Christens groot interest', van William Guthrie en vooral de brieven van Samuel Rutherford. Hij schrijft over deze tijd: 'Door Zijn Woord en de prediking worstelde God in die dagen met mijn ziel om haar voor Christus te winnen. Het lezen van het boek van ds. Alleine hielp niet weinig om mijn geweten wakker te schudden. Ik sloot een verbond met God om elke dag zes keer te bidden en alle zonden te laten. Maar tot Christus en Zijn vrije genade te vluchten was er niet bij. Ik vond het lezen van al deze boeken bijzonder fijn en dagenlang had ik er een aangenaam gevoel onder. Soms was mijn ziel verrukt en bad ik heel de dag door.'
 
Wanneer John verhuist om als schaapherdersjongen de kost te gaan verdienen, gaan deze indrukken en ervaringen echter helaas over.
 
Hij bidt niet zoveel meer, maar toch kan hij het niet helemaal kwijt raken. Door Gods goedheid komt hij als schaapherder in dienst van een oude, godzalige ouderling, die niet kan lezen (veel mensen in Schotland kunnen dat in die tijd niet), maar wel een sterk verlangen heeft om meer van God en Zijn Woord te weten. John kan wl lezen, en hij wordt dan ook tijdens het hoeden van de schapen de 'voorlezer' van de ouderling. Uren en uren leest de veertien-jarige jongen hem voor uit de Bijbel.
 
 
        Jong bekeerd
 
De jonge John is zeker dat hij naar de hemel gaat, want hij bidt weer veel en vraagt elke dag om vergeving van zijn zonden. Dit duurt totdat hij ongeveer negentien jaar is. In die tijd neemt hij zich voor om in een naburig dorp naar de kerk te gaan. De derde keer dat hij daar is, preekt de dominee over Johannes 6 vers 64: "Maar er zijn sommigen van u die niet geloven." Elke zin van deze preek dringt door in zijn hart en toont hem dat hij de grootste ongelovige is in heel de wereld. Door deze preek raakt hij in grote nood en hij meent te moeten concluderen dat al zijn vorige geestelijke ervaringen niet anders zijn geweest dan algemene werkingen van de Heilige Geest. Later zal hij als predikant dan ook veel nadruk leggen op deze niet-zaligmakende werkingen van Gods Geest.
 
De volgende dag hoort hij een preek over Jesaja 53 vers 4: "Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen." Onder deze preek smelt zijn hart, zoals hij nog niet eerder heeft beleefd, en God maakt hem een arme, verloren zondaar, ja: de slechtste van alle zondaren. Ook ziet hij de Heere Jezus als Degene, Die alles voor hem heeft volbracht; en Die als Gods vrije Genadegeschenk aan hm persoonlijk in het Evangelie wordt geschonken. Later schrijft hij: 'Door een Christelijke opvoeding had God mij bewaard voor uitbrekende zonden, maar o, met wat een ijver zwelgde ik in minder openlijke, maar niet minder goddeloze zonden: ik zocht door de wet zalig te worden. Ik dacht dat ik met 'mijn best te doen' kon betalen voor mijn zonden. Maar het was alles tevergeefs. Maar toen God kwam, schonk Hij mij leven. Een ongewone uiting van almachtige genade greep mij vast, omringde mij: geen engelen met vlammend zwaard, maar eeuwige liefde.'
 
O, de Heere Jezus wordt voor John zo dierbaar als Degene, Die precies past bij al zijn dwaasheid, onkunde, schuld, vuilheid, gebrek, slavernij en ellende.
 
In zijn geestelijk leven ervaart John veel afwisseling: 'Soms beurde God mij op, zodat ik zoete vergezichten ontving van de Goddelijke waarheid en van Jezus en Zijn Vader; maar kort daarna wierp Hij mij neer in een donkere diepte, waar ik als een blinde naar de wand tastte. Soms schonk God mij door Zijn Woord en Geest vaste zekerheid dat Hij mijn Zaligmaker, mijn Vriend en mijn Vader was; maar kort daarna liet Hij toe dat ik in zulke twijfels viel dat ik amper meer in de Bijbel geloofde als het Woord van God. Soms ontving ik aangename vrede in mijn ziel; maar kort daarna verdronk ik bijna in het water der verdrukking. Soms had ik een feestmaal onder de prediking van het Woord en bij de bediening van het Avondmaal, of in het persoonlijke gebed. Maar kort daarna waren de wekelijkse Sabbathdagen alleen maar een last voor mijn ziel en ontving ik er geen bezoek van Christus in. Soms ontving ik zicht op het hemelse Kanan; maar kort daarna was er een wolk gespreid over de troon der genade.'
 
Hij is niet alleen een Christen, maar gedraagt zich ook als een Christen. Als hij op een zondagavond gemeen wordt geplaagd door een collega-arbeider, wordt hij niet boos, maar zegt hij alleen: 'Henry, waarom doe je dit op zndag?' Deze vriendelijke bestraffing treft Henry in zijn ziel en hij is er diep door geroerd. Daarom vraagt hij ruiterlijk om vergeving. Ja, dit is het middel dat deze plaaggeest zijn beste vriend wordt. Uren praten ze samen over de dingen van God. John spoort Henry aan om n de Heere te zoeken. En als Henry op een keer, 's avonds voor het naar bed gaan, maar heel kort op zijn knien ligt om te bidden, zegt John: 'Henry, heb je wel gebeden? Je zult wel heel weinig te zoeken hebben bij de troon der genade. O Henry, als je maar je grote gemis zag, en de grote genade die God gereed is je te geven als je erom vraagt, zou je niet zo gauw ophouden met bidden.'
 
 
        Dorst naar kennis
 
Al vroeg heeft John een onverzadigbaar verlangen om andere talen te leren. Maar hij heeft er eigenlijk helemaal geen gelegenheid voor. Hij is een weeskind zonder een cent op zak, en is maar een half jaar naar school geweest. Hij moet als schaapherder zijn kost verdienen; dus is hij altijd in de eenzaamheid, ver verwijderd van scholen en mensen. Maar dit alles houdt de eenvoudige herdersjongen niet tegen. Waar hij maar kan, leent hij boeken, eerst om Latijn te leren, waarbij de dominee hem helpt. Daarna probeert hij zelf de Griekse taal te leren, door een Grieks Nieuwe Testament te lenen en te vergelijken met zijn eigen Bijbeltje.
 
Wanneer hij het Grieks goed onder de knie heeft, wil hij graag een Grieks Nieuwe Testament voor zichzelf hebben. Na lang sparen heeft hij eindelijk het benodigde geld. Hij vertrekt op een avond, blootvoets naar St. Andrews, de universiteitsstad, om daar de volgende morgen - na veertig kilometer te hebben gelopen - met zere voeten erg vermoeid aan te komen bij een boekwinkel. De winkelier staat stomverbaasd als deze eenvoudige herdersjongen op blote voeten hem vraagt om een Grieks Nieuwe Testament en vraagt: 'Wat zou jij daar dan mee willen doen? Je kunt het niet lezen.' 'Ik zal het proberen', antwoordt John nederig.
 
Ondertussen komt er net een professor van de universiteit binnen. Hij hoort het gesprek en vraagt aan John wie hij is, wat hij doet, waar hij vandaan komt en hoe hij dan Grieks geleerd heeft. John geeft eerlijk antwoord, maar ongelovig zegt de professor tegen de winkelier: breng 's een Grieks Nieuwe Testament; en dan zegt hij tegen John: 'Als jij dit kunt lezen, mag je het voor niets hebben.' Tot grote verbazing van zowel de winkelier als van de professor leest de eenvoudige schaapherder de opengeslagen bladzijde van het Griekse Nieuwe Testament. En zo gaat John opgetogen met zijn gratis ontvangen, maar o zo kostbare bezit weer naar huis. En nu leest hij tijdens het schapen hoeden hele dagen in zijn nieuwe Bijbel.
 
Dit Nieuwe Testament is nog steeds in het bezit van John's nageslacht. Het toont dat het veelvuldig is gebruikt.
 
Vervolgens begint John Hebreeuws te leren. Weer vergelijkt hij een geleend Hebreeuws Oude Testament met zijn eigen Bijbel en leert zo wat elke Hebreeuwse letter en elk Hebreeuws woord betekent. Een reusachtig doorzettingsvermogen moet deze herdersjongen hebben bezeten!
 
 
        Belasterd, maar vertroost
 
Of zou hij hulp hebben gekregen? De mensen geloven John niet, zelfs zijn eigen predikant, die hem met Latijn heeft geholpen, denkt dat John liegt. Ja, iemand uit het vermoeden dat John misschien wel in contact met de duivel heeft gestaan en dat de hem deze talen heeft geleerd ...!
 
In die tijd gelooft men in heksen en ook dat mensen een verbond met de duivel sloten. En zo gelooft men dat de duivel op een bovennatuurlijke manier aan John de kennis van Grieks en Hebreeuws heeft gegeven.
 
Wij lachen daar om, maar het heeft meer dan vijf jaren geduurd, voordat dit praatje de wereld uit was. En wat erger is: door deze verdachtmaking wil de kerkenraad John niet toelaten tot belijdenisdoen en dus ook niet tot het Heilig Avondmaal. Wt John ook vertelt en uitlegt hoe hij zichzelf Grieks en Hebreeuws heeft aangeleerd, de dominee gelooft hem niet. Ten einde raad vraagt John zijn 'attestatie' op, maar ook dat wordt hem lange tijd geweigerd. Uiteindelijk gaat de kerkenraad op 16 juni 1746 overstag, maar de dominee weigert te tekenen, zodat de scriba de handtekening zet onder het bewijs, dat John dooplid is van de gemeente.
 
Tijdens deze verdrietige jaren van verdachtmaking zoekt John een andere baan. Hij wordt 'reizend koopman', ofwel marskramer. Maar veel verdient hij met deze handel langs de deuren niet. Waarom niet? Zijn zijn waren niet goed? Is hij lui of oneerlijk? Nee, maar hij is z verzot op boeken, dat hij, waar hij maar boeken vindt, vraagt om die boeken te mogen lezen en zo de tijd vergeet en zijn handel vergeet. Ja, zo doe je wel veel kennis op, maar zo komt er niet veel geld in het laatje. Ook 'verliest' hij heel wat tijd doordat hij alle Avondmaalsvieringen in de buurt bezoekt.
 
Het is in Schotland die tijd gewoonte dat er in elke gemeente maar n keer per jaar Avondmaal wordt bediend. Maar Gods kinderen gaan wel naar de bediening van het Avondmaal, waar deze maar in de buurt wordt gehouden. Zodat mensen toch wel enige keren per jaar, sommige wel zes tot acht keer, aan het Avondmaal deelnemen.
 
Zo'n Avondmaalbediening neemt verscheidene dagen in beslag, meestal van donderdag tot en met maandag.
 
Op een keer zal John Brown de Avondmaalsbediening in Stirling bijwonen, ruim veertig kilometer van zijn woonplaats verwijderd. Daar staat de bekende dominee Ebenezer Erskine. Als hij in zijn eenvoudige arbeidersplunje aankomt (nette kleren heeft hij niet), zetten de mensen, bij wie hij zal logeren, hem bij het ongeletterde dienstpersoneel in de keuken.
 
Na de maaltijd vraagt de gastheer aan dominee Ireland om de avondhuisgodsdienstoefening te houden. Deze verontschuldigt zich, omdat hij zo moe is van de lange reis. 'Maar', zegt hij, terwijl hij de Bijbel aan John overhandigt, 'Johnnie, doe jij het maar voor mij.' De eenvoudige schaapherder doet dit zo ernstig dat allen erover verwonderd zijn, en de volgende dagen hoeft hij niet meer bij het personeel te zitten, maar krijgt hij een ereplaats bij de gastheer.
 
Ook laat de Heere Zich niet onbetuigd aan de belasterde John Brown. Hij getuigt jaren later: 'Temidden van mijn verdrukkingen, genoot ik ook opmerkelijke bewijzen van Gods gunst. De woorden uit Psalm 42 "De HEERE zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot de God mijns levens" vooral waren zoet voor mijn ziel. Ook kreeg ik nieuwe vrienden van de Heere. Hij verkwikte mijn ziel meermalen tijdens Avondmaalstijden, zodat deze jaren misschien wel de aangenaamste jaren van mijn leven zijn geweest. Uren mocht ik mediteren over teksten uit Gods Woord, vooral over Psalm 5 vers 8: "Ik zal door de grootheid van Uw goedertierenheid ingaan in Uw huis; ik zal mij in Uw vreze buigen naar het paleis van Uw heiligheid." In deze jaren leerde de Heere mij echter ook mijn eigen hart te onderzoeken en Hij deed mij zien dat ik voor God net zo slecht was als de duivel, en nog veel slechter zelfs. Op deze manier werd ik het ermee eens dat de mensen mij belasterden; en zag ik er vanaf om mijzelf te verdedigen. God verdedigde mij, wanneer ik Zijn gramschap in onderworpenheid droeg.'
 
 
        Soldaat, schoolmeester en student
 
Wanneer John zo'n 24 jaar is, dreigt er burgeroorlog in Schotland. De zoon van de roomse koning die door 'onze' prins Willem III in 1688 is verdreven, probeert op de troon te komen. Vanuit Schotland stelt hij een leger samen en rukt op naar Londen. De Schotten, vooral van de kerk van de Erskines, zijn vuurbang voor een roomse koning en stellen alles in het weer om dit gevaar te bezweren. Allen die maar enigszins ervoor in aanmerking komen, nemen de wapens op om het protestantse koningshuis te verdedigen. Zelfs Ebenezer Erskine, die al 65 jaar is, zet zich in; hij vormt een compagnie soldaten en wordt hun officier. Hij zegt: 'In deze crisis zijn niet alleen gebeden, maar ook wapens nodig!'
 
'De kerk van de Erskines'? Ja, want in 1733 is Ebenezer Erskine met nog drie anderen uit de kerk van Schotland gezet. Zij vormen een afgescheiden kerk, samen met Ralph Erskine en enige andere predikanten met hun gemeenten, onder wie ook de predikant van John Brown.
 
Het gaat over de volgende twee zaken: (1) Mag de kerkenraad samen met de gemeente een dominee beroepen, of heeft de burgerlijke overheid daarover te beslissen? John Brown kiest op Bijbelse gronden voor het standpunt van de Erskines: alleen de gemeente met de kerkenraad en net de burgerlijke overheid.
 
Het volgende punt is (2) de zogenaamde 'Marrow Controversy'. De vraag daarbij is: is het aanbod der genade en de nodiging om tot Christus te komen, alleen gericht aan overtuigde en ernstige zondaren, of aan alle hoorders van het Evangelie? Anders gezegd: mag ik nu tot Christus komen zoals ik nu ben, of moet ik me eerst verootmoedigen, mijn zonden laten en berouw hebben? John Brown kiest ook in deze zaak het standpunt van de beide Erskines, namelijk: onvoorwaardelijk gaat het aanbod der genade en de nodiging om tot Christus te komen uit tot lle hoorders van het Woord, en niet alleen tot verootmoedigde en ernstige zondaren.
 
Juist deze kerk weet nog van de verbonden die er in de vorige eeuw waren gemaakt tussen God en Schotlands kerk. Daarom hebben zij er alles voor over dat de burgeroorlog in het voordeel van het protestantisme wordt beslecht.
 
Ook John is van de partij. Hij verbergt zijn mars in een stapel turven en meldt zich om te vechten. Op 16 april 1746 eindigt deze burgeroorlog met een vernietigende slag bij het dorpje Culloden, waarbij de troonpretendent wordt verslagen. John kan weer marskramer worden. Ondertussen neemt hij de kans waar om in Edinburgh zijn schamele loon om te zetten in boeken, vooral theologische.
 
John wil graag predikant worden, maar de middelen om te studeren ontbreken hem geheel en al. Het enige wat hij kan, is schoolmeester worden. Voor dat beroep hoeft hij geen diploma's te hebben, alleen de nodige kennis om leerlingen te onderwijzen. Nu, die kennis heeft John wel!
 
Als schoolmeester is hij precies op zijn plaats: hij trekt van heinde en ver leerlingen. En zijn eigen gedrevenheid voor studie weet hij ook over te brengen op zijn studenten.
 
Op zaterdag hebben leerlingen geen vrij, maar wordt vooral godsdienstonderwijs gegeven. De leerlingen weten zich jaren later de zaterdagen nog beter te herinneren dan de andere schooldagen van de week. Een van de studenten schrijft daarover: 'Meneer Brown was gewoon om op zaterdag zijn leerlingen ernstig toe te spreken. Zijn lessen waren juist dan erg persoonlijk. Wij werden door deze lessen afgeschrikt van zondigen en zo sterk overtuigd van het kwade daarin, dat het ons menige nacht slaap kostte.'
 
In deze tijd heeft John de gelegenheid om in het nabijgelegen Dunfermline menigmaal de godzalige Ralph Erskine te horen. Deze preken worden door Gods Geest dikwijls aan zijn hart thuisbezorgd.
 
Nu breekt ook de tijd aan dat hij zich kan aanmelden bij de synode van zijn kerk. Zijn eigen predikant deed er alles aan om John af te wijzen, en de nationale kerk van Schotland probeert hem binnen haar muren terug te krijgen, maar John staat met heel zijn hart achter de leer van de Erskines en wijst dit aanbod af. Hij schrijft over deze verleiding om terug te keren tot de nationale kerk het volgende: 'Tijdens deze beproevingen kreeg ik het verzoek om de Secession (dat is de afgescheiden kerk), waarin ik door een paar van de meest vooraanstaande leden zo slecht was behandeld, te verlaten. Maar omdat ik deze zijde niet had gekozen uit menselijke overwegingen, schonk de Heere het mij om geen ergernis te verwekken tegen Zijn zaak om hun slechte behandeling van mij.'
 
Nu wordt hij toch door de synode aangenomen. Hoe komt dat? Omdat er in 1747 een breuk in deze kleine, pas afgescheiden kerk komt. Het gaat over de vraag of een bepaalde eed aan de regering mag worden afgelegd of niet. Sommigen (onder wie de voormalige predikant van John) veroordelen het gans en al, anderen (onder wie de beide Erskines) zijn op dit punt gematigd. En helaas breekt de kerk. De twee groepen heten nu de 'Burghers' (waarbij de Erskines horen en waarbij ook John Brown hoort) en de 'Anti-Burghers'.
 
Omdat de voormalige predikant van John bij de 'Anti-Burghers' hoort, is de weg vrij. En omdat hij de enige professor is voor de theologiestudenten, wordt Ebenezer Erskine nu tot professor aangesteld, hoewel hij al 67 jaar is.
 
Wanneer John zich aanmeldt, zijn er sommigen die zich de lasterverhalen over hem herinneren en ze vragen zich af: staat deze jonge man werkelijk niet in een verbond met de duivel? Ralph Erskine kent hem goed en antwoordt eenvoudig: 'Ik denk dat deze jongeman een zoete reuk van Christus bij zich draagt.' Dit getuigenis van de zo geestelijk gezinde en bij ons nog steeds goed bekend staande predikant stilt het gemurmel.
 
Een beter getuigenis kan geen (aanstaande) predikant zich wensen!
 
Het onderwijs - aan huis - dat John, met andere studenten, van de bejaarde en door ervaring gerijpte Erskine krijgt, vormt niet alleen zijn theologische inzicht, maar vooral zijn hart en leven. Op 14 november 1750, op de leeftijd van 28 jaar, ontvangt hij toestemming om te preken en is hij beroepbaar. Hij onderzoekt zijn hart nog eens zeer nauwgezet of hij wel werkelijk door God geroepen is en of hij niet eigen eer najaagt. Ook, of hij wel de gaven heeft om Gods gemeente te bouwen.
 
Later schrijft hij over deze tijd: 'De dag voordat ik beroepbaar gesteld zou worden, kwam met grote nadruk deze Schriftplaats onder mijn aandacht: Jesaja 6 vers 9, 10: "Ga heen en zeg tot volk: 'Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet.' Maak het hart van dit volk vet en maak hun oren zwaar en sluit hun ogen, opdat het niet ziet met zijn ogen en met zijn oren niet hoort en met zijn hart niet verstaat en zich niet bekeert, zodat Hij het geneest." En sinds die tijd woog het, ik weet niet hoe dikwijls, zwaar op mijn hart om bedenken, hoe dikwijls deze ernstige oordeelswoorden vervuld zijn in mijn dienstwerk. Ik weet niet hoe dikwijls ik een ernstig verlangen had om liever door de dood te worden weggenomen, dan een plaag voor mijn arme gemeente te zijn. Maar ik heb dikwijls gesmeekt dat de Heere mij vruchtbaar zou maken in Zijn werk. En de weinige kennis die ik had van mijn buitengewoon goddeloos hart en van Gods omgang met mijn ziel, heeft mij veel geholpen in mijn preken.
 
Hij wordt beroepen in Stow en in Haddington. Het laatste beroep neemt hij aan en op 4 juli 1751 wordt hij als predikant van deze kleine gemeente bevestigd om er de rest van zijn leven (36 jaar) te wonen en te werken; de plaats waar meer dan tweehonderd jaren tevoren de grote Schotse Reformator, John Knox, geboren is.
 
       Predikant
 
Ook als dienaar van het Woord onderzoekt John Brown zich meermalen: 'Ben ik hier, aan de poort des hemels, gesteld als een kandelaar die aan de vrienden van de Bruidegom de weg wijst, en zal mijn lamp daarna uitgaan in de buitenste duisternis?'
 
Hij stelt zichzelf - terecht - zeer zware eisen: 'Wat een zelfverloochening is nodig om met mensenzielen om te gaan; wat een zuiver bedoelen van Gods eer alleen, wat een voorzichtigheid, wat een toewijding, wat een ootmoed, wat een ijver, wat een geestelijke gezindheid van hart en leven, wat een totaal steunen op Jezus door het geloof, wat een orde, wat een eenvoud, wat een juist evenwicht tussen mildheid en strengheid!'
 
Het besef van zijn tekortkomingen overweldigt hem bijna. Toch voelt hij soms hoogmoed in zijn hart rijzen en soms luiheid. Zijn wens is dan ook dat Hij Gods kerk niet zal verscheuren, Zijn waarheid niet zal verminken, Zijn eer niet zal verkwanselen en mensenzielen niet zal vermoorden.
 
Nauwgezet doet hij daarom zijn werk. - Elke zondag drie keer preken. Om zoveel te preken moet ds. Brown vaardig zijn in de Schriften; en dat s hij ook.
 
- Elk jaar alle gemeenteleden - van wie velen op meer van tien kilometer afstand wonen - bezoeken, n onderzoeken hoe het met hun kennis van de Schriften staat!
 
- Samen met de kerkenraad toestemming verlenen (of niet) aan hen die aan het Heilig Avondmaal wensen deel te nemen. Hij verandert het gebruik van eenmaal per jaar Avondmaal in tweemaal per jaar.
 
- En tenslotte nieuwe lidmaten aannemen.
 
Tevens kost zijn gezin de nodige aandacht. In september 1753 trouwt hij met Janet Thomson, een degelijke en vrome vrouw. Acht kinderen worden uit dit huwelijk geboren, van wie hij er zes jong moet begraven ...!
 
Dominee Brown is een bekwaam predikant. Zijn preken zijn ernstig en persoonlijk gericht. Hij spreekt met gezag en iedereen voelt dat hij zelf beleeft, wat hij verkondigt. Zelfs de bekende godloochenaar en wijsgeer David Hume moet van Brown getuigen: deze man preekt, alsof hij beseft dat de Zoon van God naast hem staat.
 
Een ander kenmerk van zijn preken is behalve dat ze eenvoudig zijn, ook dat ze zo bewogen zijn; vooral wanneer hij verachters van God en Zijn Woord smeekt en dringend oproept om de Heere te zoeken. Tranen maken zijn wangen nat, wanneer hij ze vermaant om terug te keren tot de kudde van de Goede Herder.
 
 
        Studeerkamer en boeken schrijven
 
Hoewel het belangrijkste werk van elke predikant preken is, krijgen sommigen daarbij ook andere taken en gaven, zoals schrijven of lesgeven. Al in 1753 ontvangt de jonge dominee Brown de eer om unaniem tot voorzitter van de synodevergadering te worden gekozen. Op deze synode wordt een lijvig document opgesteld, waarin de afscheiding wordt verdedigd.
 
Elke dag studeert dominee Brown twaalf uren. Talen zijn zijn hobby (ook Nederlands leert hij), maar vooral theologische boeken van vroeger en boeken over kerkgeschiedenis hebben zijn belangstelling.
 
En hij gaat schrijven ...!
 
Het eerst boekje dat hij (in 1758) publiceert, is een 'probeersel', zoals hij het zelf noemt, bedoeld als hulp voor onkundige gemeenteleden, waarin de Westminster Geloofsbelijdenis en Catechismus eenvoudig worden uitgelegd. Dit boekje is uit bijzondere liefde en aandacht voor de jeugd voortgekomen.
 
Helaas komt er kritiek op - wat in die tijd direct leidt tot het uitgeven van een boekje. Daarop antwoordt Brown met een brochure over de toerekening van Christus' gerechtigheid.
 
Het onderwerp is van groot belang: het gaat erover wat wij eraan hebben dat Christus aan het kruis stierf. John legt uit dat al Gods kinderen mogen delen in de verdiensten van Christus, zodat al hun schuld is betaald en dat alle geboden van God zijn vervuld! Een heerlijk Evangelie.
 
Zes jaren hierna publiceert hij een catechisatieboekje voor jonge kinderen, als uitleg van de Westminster Kleine Catechismus - in Schotland net zo belangrijk als onze Heidelbergse Catechismus.
 
Het volgende jaar komt er een boek uit van zijn hand dat meer dan vijftig jaar talloze keren herdrukt zal worden; het heet: 'Het reisverslag van de Christen'. Hierin trekt dominee Brown geestelijke lessen uit alledaagse gebeurtenissen. De schrijver is er diep van overtuigd dat de natuur 'Gods boek' is. En in dit 'Boek van God' liggen vele lessen.
 
Wanneer de Christen de dauw ziet liggen, peinst en bidt hij: 'Heere Jezus, kunt Gij voor mijn ziel niet als de dauw zijn? Kunt Gij mij niet maken als de dauw in de morgen?'
 
Ziet hij op zijn reis een worm uit de grond kruipen, dan peinst hij: 'Wanneer, o mijn ziel, zal jij voortkruipen uit je aardsgezindheid en vleselijkheid om de hemelse Vader te danken voor al Zijn vriendelijkheid, die Hij aan jou bewijst?' In het lieflijke voorjaar ziet de Christen de glimlach van zijn God, voelt hij Zijn aanwezigheid en proeft hij Zijn vreugde. En als hij het natuurschoon ziet, bedenkt hij: 'Hoe veel schoner is het Woord; o wat stort de HEERE Zijn liefde, Zijn hart uit in die bladzijden van genade!'
 
En zo gaat het maar door: het zien van een riviertje herinnert de Christen aan de stroom van Jezus' bloed; het tjilpen van een mus doet hem denken aan de zorg van zijn hemelse Vader; enzovoort.
 
Een van de belangrijkste ondernemingen van dominee John Brown is het schrijven van een Bijbels woordenboek, dat 1769 uitkomt: een boek waarin allerlei personen, plaatsen / landen, dieren, planten en gebeurtenissen, ook allerlei profetien en leringen worden verklaard.
 
In onze tijd zijn er heel wat Bijbelse woordenboeken, maar (bijna) nooit van de hand van n schrijver, maar van een team van soms tientallen schrijvers. Dt woordenboek wordt echter door hem alleen geschreven. En niemand in heel Scotland is waarschijnlijk daarvoor zo geschikt als hij, die zoveel heeft gelezen en zoveel kennis van de oude talen heeft ... En dit doet hij nst al zijn andere arbeid!
 
Ik zal een klein stukje eruit overnemen. Hij schrijft over heiligmaking: 'Dit is dat heerlijke werk van Gods genade in de ziel, waardoor we worden vernieuwd naar het beeld van God, apart gezet voor Zijn dienst, en bekwaamd om te sterven aan de zonde en te leven tot gerechtigheid. Heiligmaking moet zorgvuldig worden beschouwd in tweevoudig licht (1) als een onwaardeerbaar voorrecht door God aan ons verleend (I Thessalonicenzen 5:23); en (2) als een alomvattende plicht door Zijn heilig Woord van ons vereist (I Thessalonicenzen 4:3).'
 
En dan legt hij dit verder uitgebreid uit. Een boek dat vele geslachten onderwijs geeft; meer dan 150 jaar lang blijft het een standaardwerk, waarvan elk jaar wel weer een nieuwe druk moet worden uitgebracht!
 
Het schrijven van dit grote werk vergt natuurlijk heel veel kracht en tijd, maar toch - terwijl hij bezig is dit woordenboek voor de pers klaar te maken, publiceert hij (een jaar eerder) een lijvig boekwerk over de heilige typologie, waarin hij allerlei Oudtestamentische voorbeelden van Christus aan de orde stelt en duidelijk maakt hoe heel de Bijbel n doel heeft: Christus aan te kondigen en te verkondigen.
 
De fenomenale kennis en onvoorstelbare werkkracht van de voormalige herdersjongen is zo groot, en zijn verlangen om nuttig te zijn ook, dat hij het niet kan laten om twee jaren na zijn Bijbels woordenboek opnieuw een boek uit te geven: 'Algemene geschiedenis van de Christelijke Kerk'. Dertien jaren later gevolgd door 'De geschiedenis van de Britse Kerken', waarvan deel twee vooral de kerkgeschiedenis van Schotland geeft. Zijn gedachten gaan zelfs uit naar een serie boeken, waarin heel de geschiedenis van de mensheid zal worden beschreven vanuit het oogpunt van de Verlossing. Maar dit werk is nooit verschenen.
 
Nog heel wat kleinere werken komen uit de studeerkamer van de pastorie van de Secession Church in Haddington - onder andere in 1782 'De jonge Christen, dat is: het genot van vroege godzaligheid' en het volgende jaar 'Praktikale godzaligheid afgebeeld in het leven van dertien uitnemende Christenen'. Uit de titels wordt duidelijk hoe belangrijk Brown de praktijk der godzaligheid acht.
 
Maar het bekendste werk is wel zijn Bijbelverklaring, in 1778. Het maakt hem in zijn dagen wereldberoemd. Zeker, de uitgebreide Bijbelverklaring van Matthew Henry was er al, maar deze was voor de arme bevolking van het 'platteland' veel te kostbaar. John Brown nu geeft een werk uit, dat in n band, veel beknopter is en dus goedkoper. Het heeft iets weg van de kanttekeningen in onze statenbijbel. Ik zal een paar dingen hieruit overschrijven. Aan het eind van het droevige hoofdstuk over de zondeval schrijft Brown: 'Wees voorzichtig en waakzaam, mijn ziel, opdat je tegenpartij, de duivel, geen voordeel op je behaalt en je verleidt door zijn list. Treed hem nooit tegemoet zonder Jezus, of in eigen kracht. Speel nooit met hem, maar weersta hem direct dapper, en hij zal van je vluchten.
 
Mijn gelukzaligheid bestaat niet hierin dat ik god word, maar dat ik God geniet, als mijn Alles.
 
Op wat voor schaamte en ellende loopt zonde altijd uit! -
 
Zie, hoe de beledigde Majesteit des hemels vliegt op de vleugels van oneindige liefde en genade tot vertroosting van zelf-vernielende mensen, om aan hen verlossing door het bloed van Zijn Zoon bekend te maken, aan te bieden en te schenken! Maar, helaas, zie hoe zij van Hem vandaan vluchten en door het bedekken van hun overtreding zelfs proberen Zijn gunst te ontlopen. Gezegende Jezus, laat mij altijd, wanneer Gij mij aanklaagt, vluchten tot Uw boezem van genade en vriendelijkheid.'
 
Ik geef nog twee voorbeelden: (1) op Matthes 1: 'Hoewel een lang uitstel van Gods gunstbewijzen ons geduld erg op de proef stelt, verzwakt het toch Gods beloften geenszins.
 
Hoe wonderlijk was de ontvangenis en geboorte van onze Zaligmaker, en hoe eervol is er getuigenis van gegeven! Met grote wijsheid en voorzichtigheid leidde God elke omstandigheid daarvan tot Zijn eer en tot welzijn van de betrokkenen. Maar zij die opmerkelijke eer van God krijgen, kunnen opmerkelijke beproevingen verwachten: als we echter een goed geweten bewaren, zal God onze eer bewaren of op zijn tijd verdedigen.'
 
Op Openbaring 20: 'Glorieus is de periode van vrijheid, vrede, vreugde en overwinning die de kerk der ware gelovigen zelfs op aarde zal genieten, na een lange nacht van moeite en verdrukking. Wanneer de satan is gebonden en de Heilige Geest is uitgestort, met welk een kracht, geestelijkheid en luister zal dan de zaak van Christus herleven!'
 
Dit werk is zo omvangrijk dat geen drukker het durft uitgeven. Brown moet zelf geld voorschieten; geld dat hij nooit meer terug ziet. Hij wil voor niet n van al zijn boeken ooit een cent ontvangen! Want hij heeft slechts n doel: nuttig zijn voor de vele arme, eenvoudige gemeenteleden in en buiten Schotland. En zelfs professoren betuigen hem dank voor deze kostelijke Bijbelverklaring!
 
Het laatste boek dat Brown uitgeeft, is het dagboek en levensverhaal van een eenvoudige Schotse dienstbode, Elizabeth Wast. Het heet 'Zoet en bitter, licht en duisternis, op de weg naar de hemel'.
 
De geleerde, wereldberoemde predikant begon met boekjes uit te geven over de zuivere leer en eindigt nu met een boekje waarin op eenvoudige manier het innige geloofsleven met God wordt beschreven. Want het is nuttig - volgens ds. Brown - om boeken te lezen, waarin wordt beschreven hoe God Zijn kinderen leidt en wat Hij ze doet beleven. Zijn doel is om de zielverwoestende oppervlakkigheid van de toenmalige (en hedendaagse!) godsdienst tegen te gaan en om te bevorderen een onderscheidene, diepe en hartvervullende ervaring van het genadewerk van Gods Geest, dat uitloopt op een godzalige, actieve en ordelijke praktijk.
 
Hij schrijft in dit verband: 'Hoe aangenaam om te zien als onze kinderen op deze manier leven en sterven! Hoe aangenaam, wanneer zij op hun sterfbed liggen, als ze dan God loven, en ons bedanken voor de moeite die we hebben besteed aan hun Christelijke opvoeding! - Waarom klagen we over onkunde, dwaasheid, hoogmoed, verkwisting en goddeloosheid in de opgroeiende generatie, als de oorzaak ligt in ons veronachtzamen van hun zielen? Als een van onze kinderen een last of een schande voor ons is, worden we dan niet door onze eigen goddeloosheid gekastijd en door onze eigen nalatigheid berispt?'
 
En aan de jeugd zelf schrijft hij: 'In deze geschiedenis kunnen jullie zien hoe jullie leven hoort te zijn; en hoe het door Gods genade kan zijn, en hoe je leven zal zijn, als je niet lui, dwaas en goddeloos bent.'
 
 
        De professor