Home
Belijdeniscatechisatie
Bijbelstudie
De Catechisant
Studiemateriaal
Pastoralia
Contact
Links
Nederlandse Geloofsbelijdenis
Les 6: Schepping / Gods beeld / geweten / werkverbond
-----
        Leren: vr. en antw. 6, 26
        Lezen: Genesis 1, 2; Psalm 8; Handelingen 17
Lezen: NGB 12, 14
-----
Op treffende manier beschrijft de Bijbel (Genesis 1) waar onze oorsprong ligt. We zijn niet toevallig ontstaan, zonder besturing, reden of doel. Maar we zijn geschŠpen; maaksel van een "superintelligent" Wezen, Dat wij God noemen. Dit kunnen we niet vanuit onszelf weten, maar alleen door openbaring, bekendmaking van God Zelf.
 
Ieder mens denkt na over de vraag "waar kom ik vandaan?", maar we weten er ook met het meest scherpzinnige verstand geen antwoord op. De evolutietheorie zegt dat alles "toevallig" is ontstaan. Deze theorie werd bedacht, omdat men Gods bestaan ontkent en toch de oorsprong zoekt van al het bestaande. Gods recht als Schepper wordt dan dus ook bestreden, de mens is onafhankelijk van zijn Oorsprong. Aan niemand hoeft de evolutiemens verantwoording af te leggen; hij is zelf baas:
  •         in eigen portemonnee; je leeft voor het genot, egoÔstisch (Titus 2 vers 12)
  •         in eigen buik; je mag jůuw(?) kind laten weghalen: abortus provocatus
  •         in eigen leven, hoe je met je tijd en met je lichaam omgaat (vakantie / seksualiteit - I KorinthiŽrs 6:15-20)
  •         op eigen sterfbed (euthanasie).
 
In de Bijbel geeft de Heere ons echter een ander antwoord - en door het geloof (HebreeŽn 11 vers 3) weten we: dit is het juiste antwoord: Ik, de almachtige God, heb in zes dagen alles gemaakt, ook u (Deuteronomium 10 vers 14; Nehemia 9 vers 6; Job 33 vers 4; 41 vers 2; Psalm 24 vers 1, 2; 33 vers 6; 50 vers 12; 121 vers 2; 124 vers 8; 146 vers 6; Jesaja 40 vers 26, 28; Jeremia 10 vers 2; Handelingen 14 vers 15; 17 vers 24; I KorinthiŽrs 10 vers 26; Openbaring 4 vers 11; 14 vers 7). Daarom hebben wij ten opzichte van Gůd geen zeggenschap over iets wat wij ons bezit zouden mogen noemen. We zijn van alles wat we doen, zeggen, denken of hebben aan Hem verantwoording verschuldigd (MattheŁs 12 vers 36; II KorinthiŽrs 5 vers 10). Dus we moeten onszelf vragen stellen als: waartoe kreeg ik mijn ogen, mijn oren, mijn mond, mijn handen en mijn voeten, mijn tijd en mijn hele bestaan? Om God mijn Schepper te dienen. En waartoe gebruik ik ze? Om mijn eigen ik te dienen?
 
Waarom heeft God ons en alle dingen geschapen? Hij had geen reden buiten Zichzelf, Hij deed het niet gedwongen, maar omdat Hij het wilde. Welk doel had Hij daar dan mee?
  •         Zich verlustigen in Zijn werk.
  •         Verheerlijkt worden in en door Zijn maaksel, vooral in en door de mens; want wij zijn de mond van de levenloze schepping en van de redeloze schepselen.
  •         Zichzelf en Zijn Goddelijke zaligheid ons doen genieten.
 
God toont Zijn almacht door alles uit niets te maken door Zijn spreken. Hij toont Zijn wijsheid door alles zo te maken dat het in harmonie is. En Hij toont Zijn goedheid door de mens als kroon op Zijn schepping te doen delen in Zijn Goddelijke welgelukzaligheid, door Zich aan ons te openbaren en Zich te genieten te geven!
Wij zijn geroepen om Gods grootheid te genieten en te prijzen in Zijn werken. Dit kunnen slechts zŪj op de juiste manier betrachten, die met de natuurgenieter Maarten Luther kunnen zeggen:
-----
In mijn hart heerst alleen en zal alleen heersen dit enige artikel, namelijk dat ik geloof in mijn dierbare Heere Christus, Die van al mijn geestelijke en godsdienstige gedachten, waarmee ik altijd bij dag en bij nacht mag bezig zijn, het enige begin, midden en einde is.
Dus geen natuurgenieter zijn buiten de innige geloofsvereniging met Christus om!
-----
Gods beeld
 
De mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Dit houdt onder andere in, dat wij in een bijzondere relatie tot God stonden: wij waren Zijn vertegenwoordiger op aarde; ja Adam wordt de zoon van God genoemd (Lukas 3 vers 38). Wat een innige verhouding spreekt hieruit! Wij stonden in een open en afhankelijke verhouding tot God, geheel op Hem aangewezen, geheel op Hem gericht. En God verlustigde Zich in Zijn schepsel.
 
Hoewel ons lichaam een pronkstuk is van Gods wijsheid en macht (studeer maar eens een uurtje in een medische encyclopedie hoe de spijsvertering werkt en wat de rode bloedlichaampjes voor functie hebben; of bewonder eens een ogenblik hoe kunstig onze duim functioneert in onze hand); toch komt het beeld Gods meer uit in onze persoonlijkheid, onze ziel, dan in het lichamelijke aspect van ons bestaan. "Gods beeld" wil dan ook en vooral zeggen: wij leken op Hem wat betreft de vermogens van onze ziel. Je kunt het met de volgende voorbeelden misschien wat duidelijk maken: God "stempelde" Zijn "beeltenis" op ons als teken, dat wij Zijn Eigendom zijn (denk aan het beeld van de Romeinse keizer op een munt). Hij schiep ons als een spiegel: keek God naar ons, dan zag Hij in ons als het ware Zijn Eigen beeld weer terug. Waarin leken wij dan op God? Hij legde iets van Zijn Deugden / Eigenschappen in ons, zoals wijsheid, rechtvaardigheid, heiligheid.
 
Kennis: wij kenden God, wij hadden omgang met Hem, Hij was onze Bekende. Gerechtigheid: wij waren in overeenstemming met Zijn Wet. Heiligheid: wij waren tot in de kleinste dingen volmaakt zuiver en aan Hem toegewijd en wij beminden en dienden Hem van ganser harte (EfeziŽrs 4 vers 24).
 
Dit beeld Gods heeft de redeloze of levenloze schepping niet. Dat God ons tot dit hoge doel heeft verkůren is onverdiende goedheid, aangezien ook wij net als de dieren uit stof zijn gemaakt. We waren, toen God ons schiep, geen tabula rasa (onbeschreven blad), dus niet neutraal; maar we waren voorzien van de beste capaciteiten. We waren precies geschikt om te beantwoorden aan het heerlijke doel, waarmee God ons had geschapen, namelijk Hem verheerlijken!
 
Dit beeld Gods hebben wij door de zondeval moedwillig verdorven, al zijn er nog enige vonkjes van overgebleven (Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 14). Dat wil zeggen: Gods beeld in engere zin is totaal verdorven, maar Gods beeld in ruimere zin niet. Gods beeld in engere zin is, dat wij geestelijke kennis van onze Schepper hadden; dat wij in gerechtigheid en heiligheid leefden volgens Zijn wil, tot Zijn eer. Gods beeld in ruimere zin is, dat wij met verstand en geweten zijn begaafd. Gods beeld in ruimere zin is na de zondeval nog ons deel. Dit betekent dat wij niet aan de dieren gelijk zijn geworden (Genesis 9 vers 6), daarom is de doodstraf geboden op de doodslag, omdat wij naar Gods beeld zijn gemaakt (vergelijk echter ook Jesaja 1 vers 3). Ook na de zondeval geldt:
  •         Wij weten dat God bestaat, en wij kunnen Hem ook enigszins kennen uit schepping en onderhouding; namelijk in Zijn Godheid en eeuwige kracht (Romeinen 1 vers 20), waardoor ons alle onschuld wordt benomen - dieren daarentegen kennen hun Schepper niet.
  •         Wij kunnen Hem door wederbarende genade van de Heilige Geest weer van harte leren liefhebben en dienen - dieren niet.
  •         Wij kunnen zo nog zalig worden - dieren niet!
 
Volgens Paulus is de gevallen mens, die terecht een kind van de duivel genoemd wordt, zoals Elymas (Handelingen 13 vers 10) nog steeds lid van Gods familie, Gods geslacht (Handelingen 17 vers 28-29; EfeziŽrs 3 vers 15). Wat een hoge waardigheid bezitten we dus nog, ondanks alles! De Heere schenkt ons ook zeer veel goede gaven / capaciteiten, waardoor we ondanks onze diepe val nog veel goede dingen kunnen doen op maatschappelijk en zedelijk terrein, al kan het voor de heilige God uiteindelijk niet bestaan!
 
Kortom: wij zijn geschapen als een redelijke, onsterflijke ziel, terwijl de ziel der dieren vergaat (Prediker 12 vers 7). En dit is ook na de zondeval nog een zeer wezenlijk onderscheid tussen mens en dier. Het is niet gemakkelijk te omschrijven wat onze ziel precies is. Meestal zegt men: we hebben een lichaam en een ziel. Maar misschien is het beter te zeggen: wij zijn een ziel in een lichaam. Onze ziel is ons "ik", onze persoonlijkheid, ons wezen. Ons lichaam is onze "ziele-woning". Denk aan de uitdrukking, dat ons lichaam een tent / tabernakel is, waarin wij wonen en die bij de dood wordt afgebroken. Maar dan zijn wij niet nergens, nee, dan mag Gods kind met Paulus instemmen: dan woon ik in bij de Heere (II KorinthiŽrs 5 vers 1-9).
 
Uit de schepping, onderhouding en regering van alle dingen, waarin God Zich bekend maakt in sommige van Zijn Deugden, kan de mens God kennen (Romeinen 1 vers 18-25). Maar door onze afkeer / onwil kennen wij Hem daarin niet meer; ons verstand is verduisterd (EfeziŽrs 4 vers 18); onze wil boos en onze genegenheden zijn bezoedeld.
 
Verder behoort tot de mens, als beelddrager van God, ook de opdracht om de aarde te bouwen en te bewaren. Door de zondeval is dit wel verzwaard, maar niet opgeheven (Genesis 3 vers 17-19). Daarom is werken, wetenschappelijke studie en allerlei onderzoek goed, als het gebeurt in onderworpenheid aan Gods Woord en met de bedoeling onze grote Schepper erdoor te verheerlijken. Dit wordt wel genoemd het cultuurmandaat. Als schepsel van God moesten / mochten wij God verheerlijken voor Zijn grote daden. Daarom moeten en mogen we trachten door te dringen in de wondere geheimen van Gods majestueuze schepping! En de bedoeling van het aanschouwen van Gods grote daden is verwonderd genieten en God prijzen (Psalm 8 en 19)!
 
Wij waren als beelddragers van God ook bekleed met het drievoudig Ambt van profeet, priester en koning. Wat houdt dit in? Dat wij als profeet de lof van God verkondigden. De redeloze en levenloze schepping kon dat niet; wij waren de mond van de hele schepping. Verder dat we als priester ons zelf en alles wat God ons gaf toewijdden aan Hem, tot Zijn eer. Ten derde dat we als koning onder God heersten over alle schepselen. Adam gaf aan de dieren namen en God gaf hem heerschappij over de dieren der aarde, over de vissen der zee en over de vogels (Genesis 1 vers 28; 2 vers 19, 20).
 
Door de herschepping-in-Christus wordt Gods beeld in engere zin in ons hersteld. Dat is: we gaan weer op God lijken. We dragen Zijn afbeelding weer, Zijn eigendomsmerk en we beantwoorden weer aan Zijn doel: afhankelijk en aanhankelijk aan Hem toegewijd. Zo leven we in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid voor Hem (EfeziŽrs 4 vers 24; Kolossenzen 3 vers 10; II Petrus 1 vers 4).
 
God heeft de mens geschapen als man en vrouw - al weer een aspect van dat "geschapen zijn naar Gods beeld en Zijn gelijkenis". De mens kan niet zonder een ander. We zijn geen losse individuen, maar geschapen als ťťn grote familie. In deze verhouding man-vrouw is een Goddelijke orde: de man is het hoofd der vrouw (I KorinthiŽrs 11). Paulus wijst nadrukkelijk op de scheppingsorde, die alle eeuwen geldig is. En tussen man en vrouw is onderscheid die volgens Gods wil ook in de kleding moet uitkomen (Deuteronomium 22 vers 5). De Schepper heeft ook alles te zeggen over onze buitenkant (uiting van het innerlijk!), ons lichaam (Romeinen 13 vers 14), onze kleding (I KorinthiŽrs 11 vers 4; I TimotheŁs 2 vers 9; I Petrus 3 vers 3), onze haardracht (I KorinthiŽrs 11 vers 6, 14-15), onze tijd en geldbesteding...
 
Deze schepping was volmaakt goed, want God doet niets gebrekkig. Ook dat de mens ongehoorzaam kon zijn, omdat hij een vrije wil had, hoorde bij de goedheid van de schepping; God wil immers vrijwillig gediend zijn!
Er is een ingeschapen en een verkregen / aangeleerde godskennis, die door de zondeval niet totaal weg is (Romeinen 1 vers 19-21). Alleen: wat doen we ermee? De mens houdt deze kennis van God in ongerechtigheid ten onder en stelt dan dus afgoden daarvoor in de plaats.
 
Het geweten
 
God schiep ons met een geweten / consciŽntie, dat is Zijn stem in onze ziel, waardoor Hij ons waarschuwt. Het geweten is door onkunde niet meer geheel zuiver (soms zelfs zeer bedorven), maar kiest uiteindelijk toch - ook onder de heidenen - de kant van God (Romeinen 2 vers 14-15). Daarom beschuldigt het geweten ons na een zonde (Johannes 8 vers 9). Des te meer wij door het Woord onderwezen worden, des te zuiverder spreekt het. En als het door wedergeboorte en geloof is gereinigd in Christus' bloed (Titus 1 vers 15; HebreeŽn 10 vers 22), zal het ons vrijmoedig doen leven onder de mensen (Handelingen 23 vers 1; 24 vers 16; HebreeŽn 13 vers 18) en tot God doen naderen (I TimotheŁs 1 vers 19; I Johannes 3 vers 21-22). Dit geweten - al hebben sommigen het als met een brandijzer dichtgeschroeid (I TimotheŁs 4 vers 2) - gaat een keer open, bijvoorbeeld bij de dood, maar zeker in de jongste dag, wanneer ook de grootste spotter of vloeker Gods rechtvaardig oordeel zal toestemmen, omdat zijn eigen geweten hem veroordeelt. Genade is het echter, wanneer ons geweten open mag gaan in de weg van Gods genadige overtuiging van zonde (zoals antwoord 60 beschrijft)!
 
Werkverbond
 
God sloot uit goedheid met de mens een Verbond / overeenkomst. In dat Verbond zijn eisen en beloften. God had van ons alles kunnen eisen zonder ons iets daarvoor te beloven, omdat wij geheel en al met al het onze van Hem zijn. Maar Hij wilde Zich vrijwillig aan ons binden met de beloften van het hoogste goed. Daartoe sloot Hij met ons een Verbond. We noemen dit het werkverbond, ook wel genoemd natuurverbond of scheppingsverbond. Hierin beloofde Hij ons het eeuwige leven op voorwaarde van onze liefdevolle en algehele gehoorzaamheid (Deuteronomium 6 vers 25; Amos 5 vers 4). Zou de mens ongehoorzaam zijn, dan kon Gods belofte niet vervuld worden. Door ongehoorzaamheid ontving Adam dus niet het eeuwige leven, maar de drievoudige dood, die God had gedreigd (Genesis 2 vers 17). Dit Verbond heeft de mens moedwillig en vrijwillig verbroken, door het ingeven van satan (Genesis 3). Daardoor heeft hij geen recht meer op de Goddelijke welgelukzaligheid, maar is hij strafwaardig / doemwaardig geworden (Romeinen 5 vers 12-19).
 
Dit werkverbond is van onze kant wel stuk gemaakt, maar God handhaaft het nog steeds en blijft op Zijn recht en op Zijn eis staan. Elk mens wordt daarom wezenlijk geboren in het verbroken werkverbond en is verplicht deze altijd geldige eis van het werkverbond te gehoorzamen. Pas wanneer wij door genade verwaardigd worden om in geloof de Heere Jezus Christus als de Laatste Adam te kennen, gaan wij over in het genadeverbond en geldt de eis der Wet, de eis van het werkverbond niet meer!
 
Het is heel nuttig te weten dat en hoe God alles heeft geschapen. Dat nut is:
  •         Dat we Gods recht op ons hele leven als onze Maker en Eigenaar inzien / erkennen. Hij mag ons helemaal opeisen, zoals Romeinen 12 vers 1-2 zegt: "Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen van God, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. En wordt aan deze wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing van uw gemoed, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God is."
  •         Dat we God de schuld niet geven van de zonde en ellende die door ons is ingebroken in Gods goede schepping, want - al hebben wij vele "vonden" of uitvluchten gezocht - Hij heeft ons goed gemaakt (Prediker 7 vers 29).
  •         Dat we onze huidige omstandigheden vergelijken met hoe het was, en zo des te duidelijker zien hoe diep wij zijn gevallen en hoe ellendig we zijn geworden. Denk je in hoe smartelijk het voor Adam en Eva moet zijn geweest om hun dode zoon Abel te vinden, vermoord door hun andere zoon KaÔn - terwijl zŪj wisten hoe heerlijk het in het paradijs, voor hun eigen val, wasÖ!
  •         Dat we niet wanhopen aan de mogelijkheid van herstel uit onze zeer droevige toestand, aangezien wij niet slecht zijn geschapen en omdat we dus om goed te worden niet ons menszijn hoeven te verliezen, alleen maar in onze oorspronkelijke staat hoeven te worden hersteld. Het zondaar-zijn valt niet wezenlijk samen met het menszijn.
  •         Dat we Hem leren vertrouwen als onze goede, machtige, trouwhoudende Vader, Die ons schiep om Zijn volle geluk te kunnen beleven.
  •         Dat we in ootmoedig geloof de HEERE erop leren aanspreken (Jeremia 32 vers 17; Handelingen 4 vers 24), dat Hij hemel en aarde heeft gemaakt en dus dat Hij onze God is en dat Hij almachtig is. Dat niets voor Hem te wonderlijk is. Wat een troost!
  •         Dat we leren zien de parallellie / gelijkheid tussen Gods daden in de schepping en in de herschepping (II KorinthiŽrs 4 vers 6).
  •         Dat we vertrouwen, dat Hij Zijn Eigen maaksel niet loslaat, maar dat Hij de wereld, Zijn "kosmos" (Grieks: sieraad) werkelijk lief heeft (Johannes 3 vers 16). Hij verlost Zijn wereld, die wij Hem hebben ontroofd, die wij aan satan hebben weggegeven en die wij met onze zonde hebben bezoedeld. De God en Vader van onze Heere Jezus Christus is geen vreemde God, maar onze eigen God, Schepper, Maker.
-----
Vragen: 1 Wat betekent: geschapen naar Gods beeld en gelijkenis?
2 Wat betekent "God als Schepper erkennen" voor geldbesteding enz.?
3 Wat houdt het werkverbond in?
4 Wat zegt jouw geweten je?
5 Wat nut het ons om te weten dat God alles / en ons / heeft geschapen?
-----