Home
Belijdeniscatechisatie
Bijbelstudie
De Catechisant
Studiemateriaal
Pastoralia
Contact
Links
Nederlandse Geloofsbelijdenis
Les 11: Geloof en wedergeboorte
-----
        Leren: vr. en antw. 20, 21, 22, 23
        Lezen: Johannes 3; Romeinen 8 & 10; Hebreeën 3 & 4
Lezen: NGB 22; DL III/IV 11-17
-----
Om deel te krijgen aan de weldaden van de Middelaar, van Wiens Persoon en werk we in de vorige lessen iets overdachten, moeten we op geestelijke manier met Hem verbonden / verenigd zijn. Dan geldt dat we op geestelijke manier met Hem in gemeenschap van goederen zijn 'getrouwd': al het mijne (mijn schuld en helwaardigheid) werd het Zijne (aan het kruis van Golgotha) en al het Zijne (volkomen wetsgehoorzaamheid, betalen van mijn schuld en dragen van mijn straf) wordt het mijne door de 'huwelijksband' (Efeziërs 5 vers 30) van het geloof (II Korinthiërs 5 vers 21).
Deze band was er al eerder. Toen Hij op Golgotha leed en stierf droeg Hij al de schuld van de Zijnen, die de Vader Hem in de stilte der nooit begonnen eeuwigheid in het verbond der verlossing had gegeven (Johannes 17 vers 6). Tóen was die band er al, die eenheid (II Timotheüs 1 vers 9), maar deze moet ook metterdaad in ons leven worden bewerkt en beleefd. Dat gebeurt nu door het geloof. Dit gaat de Catechismus in de vragen en antwoorden 20-64 uitgebreid aantonen.
Dit geloof is noodzakelijk, omdat wij onder Gods vloek liggen zolang wij niet in Christus geloven, maar nog buiten Hem zijn (Johannes 3 vers 16, 18, 36; Romeinen 8 vers 1). Dit geloof is een werk / gave van de Heilige Geest (Johannes 6 vers 29; Efeziërs 2 vers 8, Filippenzen 1 vers 29; Kolossenzen 2 vers 12), Die het Evangelie en de prediking daarvan als middel gebruikt om dit geloof in ons te werken (Romeinen 1 vers 16; 10 vers 14, 17). We moeten dit middel dus ernstig en met grote nauwgezetheid gebruiken: lezen, herlezen, bestuderen, overdenken, onthouden; in het levendige besef 100% afhankelijk te zijn van de HEERE. Wie hierin slordig is, bijvoorbeeld wat betreft de zondagse en doordeweekse kerkgang, belijdt met zijn daden: ik wil geen geloof ontvangen.
Er is een levensgroot verschil tussen waar geloof en geloof dat er op lijkt. Dat laatste soort is geen geloof, maar de Bijbel noemt het toch met die naam, omdat zovelen zich bedriegen met de gedachte dat dit 'geloof' het ware is (Mattheüs 7 vers 21-23). We onderscheiden drie soorten niet-echt geloof:
  •          Historisch geloof - je houdt alles van de Bijbel voor waar, maar je hart is er niet bij, je kunt er dezelfde onder blijven (Handelingen 26 vers 27); Agrippa was ondanks dat 'geloof' geen Christen.
  •         Wondergeloof - je bent er vast van overtuigd, dat God dóór of áán jou een wonder kan / zal doen (I Korinthiërs 13 vers 2); met dit 'geloof' kun je nog verloren gaan (Mattheüs 7 vers 22-23).
  •        Tijd- of schijngeloof - je ontvangt terstond met vreugde de prediking van het Evangelie van Christus als jouw Zaligmaker en je meent oprecht dat je het ware geloof hebt en dus zalig zult worden, maar je vergist je voor eeuwig (Mattheüs 13 vers 20-21; 25 vers 1-12; Handelingen 8 vers 13, 21)!
Laten we ons toch nauwgezet onderzoeken bij het licht van de Heilige Geest, want satan verandert zich in een engel des lichts en zijn knechten doen net alsof ze knechten van God zijn (II Korinthiërs 11 vers 13-14)!
Ook uitwendige verbondsvoorrechten zijn niet genoeg (Mattheüs 8 vers 12). Deze geven wel een zekere band met Christus (Johannes 15 vers 1-8), maar díe band alleen geeft geen deel aan Zijn geestelijk Leven (Efeziërs 4 vers 18) en aan Zijn gerechtigheid, waardoor wij zalig worden. Alleen door zaligmakend geloof vanuit de Heilige Geest wordt Hij de onze (I Korinthiërs 6 vers 17)!
Paulus noemt het geloof: "Een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs der zaken die men niet ziet" (Hebreeën 11 vers 1). Onze vaderen vergeleken het geloof ook wel met een verrekijker. Wij zouden het in onze tijd met radar kunnen vergelijken. Het leven na de zondeval is een mist, we zien God niet. Door het geloof nu weten we toch zeker dat God er is en dat Hij betrouwbaar is. Heeft iemand deze 'radar' niet, dan 'ziet' hij God niet: zonder geloof geen kennis van God. Dit ware geloof nu is geheel iets anders dan de drie soorten die ik zo even noemde. Het bestaat uit:
  •         Weten, gegrond op (de beloften van) Gods Woord (Psalm 130 vers 5-6), dat God je gunstig gezind is en geen kwaad met je voor heeft (Psalm 145 vers 8-9). Deze beloften moet je dus wel leren kennen.
  •         Toestemmen, met een onverdeeld hart (Handelingen 8 vers 37) dat je op geen andere manier zalig wilt worden, dan zoals God heeft bepaald, namelijk met verzaking van al jouw 'goede werken' enzovoorts (Lukas 14 vers 26); en in volledige onderwerping aan Christus en Zijn bestuur.
  •         Vertrouwen op Christus om ziel en lichaam onvoorwaardelijk over te geven, toe te vertrouwen aan Hem, opdat Hij je (op een Bijbelse manier) zaligt (Handelingen 16 vers 31-34), tot eer van God. Dit vertrouwen is de eigenlijke kern van het geloof. Maar omdat (c) onmogelijk is zonder (a) en (b), zijn alle drie even belangrijk.
Dan mag je ervan verzekerd zijn, dat God niet tegenvalt. Zo mag je als een verloren Adamskind je láten zaligen door de kracht van die Ander en op kosten van die Ander. Híj ontvangt de eer en wij ontvangen de vrucht.
Dit ware en zekere geloof wordt door satan hevig aangevochten en is daarom soms vergelijkbaar met een sprankje vuur dat onder een dikke laag as verborgen is en bijkans geen licht of warmte verspreidt (Mattheüs 12 vers 20), zodat Gods volk zich menigmaal vertwijfeld afvraagt: is er in mijn hart ooit wel waar geloof geweest? Niettemin blijft het geloof, waar God het eenmaal heeft gewerkt; en het blijft een instrument tot levende omgang met Christus. En een gelovige neemt door dat geloof steeds weer daadwerkelijk Christus en al Zijn weldaden in Zijn beloften aan (Heidelbergse Catechismus, antwoord 84; Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 22 en 29). Dit geloof kun je nooit verliezen (Dordtse Leerregels V, 6).
Dit geloof is als het oog, waarmee wij op Christus zien (Johannes 3 vers 14), als de voet, waarmee wij tot Hem vluchten (Spreuken 18 vers 10: "De Naam des HEEREN is een Sterke Toren; de rechtvaardige zal daarheen lopen, en in een Hoog Vertrek gesteld worden"; Hooglied 1 vers 4), als de hand om Hem aan te nemen (Johannes 1 vers 12; Kolossenzen 2 vers 6), de armen om Hem te omhelzen zoals Maria Magdalena deed, Johannes 20 vers 17); de mond om Hem te eten en te drinken (Johannes 6 vers 54, 56).
Het geloof wordt in de Bijbel vergeleken met of uitgelegd door (onder andere) de volgende omschrijvingen:
  •         belijden van schuld (Psalm 32 vers 5).
  •         drinken van het Water des levens (Johannes 4 vers 14).
  •         eten en drinken van Christus' vlees en bloed (Johannes 6 vers 51).
  •         hongeren en dorsten naar Gods gerechtigheid (Mattheüs 5 vers 6).
  •         horen naar de stem van God (Jesaja 55 vers 3); van Christus (Johannes 5 vers 25); van de Goede Herder (Johannes 10 vers 3-4, 16, 27).
  •         uitzien naar de HEERE (Micha 7 vers 7).
  •         God verwachten (Jesaja 40 vers 31).
  •         tot Hem de toevlucht nemen (Ruth 2 vers 12; Psalm 118 vers 8-9).
Deze woorden omschrijven de verschillende daden van het geloof, waaruit duidelijk blijkt dat het geloof niet een keuze is, die 'rustig' of 'zomaar' gedaan wordt; maar geloven veronderstelt een gedreven zijn door nood en een getrokken worden door liefde. Deze daden zijn in wezen allemaal gelijk - al is er nog zoveel verschil tussen hongeren en eten. Je ontvangt deel aan Christus door het wezen van het geloof, zodat je door een echte honger naar Christus even zeker zalig wordt als door het echte eten van Hem.
Ongeloof daarentegen is: God wántrouwen en Hem niet op Zijn Woord vertrouwen, hoewel Hij gezegd heeft dat Hij goed is, gaarne vergevende en van grote goedertierenheid voor allen die Hem aanroepen (Psalm 86 vers 5). Ongeloof is: eerst willen zien of voelen. Hiermee beledigen we Hem zeer. De Bijbel noemt ongeloof ongehoorzaamheid (Johannes 3 vers 36; II Thessalonicenzen 1 vers 8; I Petrus 2 vers 8). We verwerpen dan Gods getuigenis en achten Hem, Die niet liegen kan (Titus 1 vers 2), toch een leugenaar (I Johannes 5 vers 9-11). Het tegenovergestelde van dat wantrouwen schrijft David in Psalm 119 vers 111: "Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erfenis"! Tussen verwerpen en aannemen is geen tussenweg: we doen vandaag één van beide!
Met 'aannemen' bedoelt de Bijbel niet 'veronderstellen', maar 'aannemen' betekent:
  •         krijgen
  •         aanvaarden
  •         je toe-eigenen.
Het geloof aanvaardt Gods belofte van schuldvergeving (Psalm 130 vers 4), uitgebeeld in de dagelijkse offerdienst en bekrachtigd in de Goddelijke eedzwering (Ezechiël 33 vers 11). Ook wenst het geloof God te behagen (Romeinen 8 vers 8; II Korinthiërs 5 vers 9; Hebreeën 11 vers 6). Geloven is vanuit ons absoluut onmogelijk; we zijn volledig aangewezen op God, Die ons niets verplicht is. Maar Hij zegt: vertrouw op Mij en je wordt niet teleurgesteld. Vanwege de oude mens is het ware geloof in het hart van Gods kinderen ook zo vermengd met ongeloof (Markus 9 vers 24). Toch is er geen enkele reden om je niet aan God toe te vertrouwen; er is daarentegen alle reden om met een voornemen des harten bij de Heere te blijven (Handelingen 11 vers 23) en op Hem gelovig, hartstochtelijk beminnend te wachten (Spreuken 8 vers 34).
Een kenmerk van dit geloof is, dat God daardoor de Zijnen ook ontwijfelbaar tot de zaligheid brengt (I Petrus 1 vers 5), hoewel niet zonder hun uiterste inspanning (Lukas 13 vers 24; Handelingen 14 vers 22). Het gaat niet automatisch. Ds. J.C. Philpot legt het leven van het geloof uit en zegt: het is niet gelijk aan een treinreis, waarbij je een keer instapt en dan kom je vanzelf op de plaats der bestemming; al val je in slaap. Maar het is volgens hem als in een oorlog: de soldaten bereiken het doel door vechtend elke meter grond te veroveren. Zo moeten wij ons ganse leven lang de goede strijd des geloofs tegen satan, wereld en eigen ik, strijden (I Timotheüs 6 vers 12).
Dit geloof wordt door de Heilige Geest in de wedergeboorte (Titus 3 vers 5) ingeplant. Wij krijgen dan ook een nieuwe natuur (Romeinen 8 vers 1; II Korinthiërs 5 vers 17; II Petrus 1 vers 1-4)! God doet dit door het (gepredikte) Woord (Jakobus 1 vers 18; I Petrus 1 vers 3, 23). Deze geboorte is een nieuwe, geestelijke geboorte uit God (Johannes 3 vers 1-12; II Petrus 1 vers 4) of levendmaking uit de geestelijke dood (Johannes 5 vers 25; Efeziërs 2 vers 1-9), waardoor de zondaar zichzelf leert kennen en Christus leert omhelzen / aannemen, omdat Hij dierbaar is geworden in Zijn Namen, Staten, Ambten, Naturen, Gaven (I Petrus 2 vers 7). Ook gaat hij nauwgezet heilig leven voor God. Dit kan hij ook volgens antwoord 8b van de Heidelbergse Catechismus. Hierdoor komt er ook steeds meer geloofshelderheid / geloofszekerheid. Al Gods uitverkorenen gaan onfeilbaar zeker geloven (Handelingen 13 vers 48).
-----
       Uit 'Om Sions Wil' - wedergeboorte
Het is van grote betekenis, dat de woorden "Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien" juist voorkomen in het gesprek met Nicodemus. De Heere spreekt hier zeer algemeen, maar doordat het Nicodemus is, aan wie Hij die algemene eis laat horen, wordt op het absoluut karakter daarvan zulk een fel licht geworpen. Hij spreekt hier niet tot een man wiens leven gemeten naar de normen die onder zijn tijdgenoten gangbaar waren, naar aller overtuiging een mislukking was, die in religieus en zedelijk opzicht beneden het normale peil van zijn medemensen stond.
Nicodemus is zeker geen openbare verachter van God en Zijn Woord. Hij behoort niet tot de goddelozen, die in wrevele overmoed met God en godsdienst spotten. Hij is niet één van die lichtzinnige lieden die om de diepste levensvragen zich niet bekommeren. Hij is geen wereldling, die alleen voor het tijdelijke en stoffelijke oog heeft, die van de buik zijn God maakt. Hij is geen mens wiens zedelijk besef door lange jaren van liederlijkheid en uitspattingen is afgestompt. Deze man is geen rover of moordenaar, die zich aan het goed van zijn naaste heeft vergrepen en zijn handen met onschuldig bloed heeft bevlekt.
Integendeel, in zijn eigen ogen en in de ogen van zijn volk is Nicodemus in elk opzicht een respectabel mens, een man met een benijdenswaardige reputatie, een waar toonbeeld van godsvrucht en deugd. Hij heeft zich de overdenking van Gods wet tot dagelijkse taak gesteld en hij begeert volle ernst te maken met de onderhouding van haar geboden. Hij is een Farizeeër; naar de strenge moraal der Farizeeën heeft hij met grimmige nauwkeurigheid geleefd en anderen heeft hij daarin onderwezen. Hij is een overste der Joden, een leraar van Israël, die gewoon is in zaken van religie en zedenleer een woord van gezag te spreken. Wanneer Nicodemus zijn mond opendoet, luistert Israël eerbiedig, want het erkent in hem een man die ver gevorderd is op de steile weg van de gerechtigheid der wet. Wanneer de Heere juist deze man op zo nadrukkelijke wijze de noodzakelijkheid voorhoudt om te worden wedergeboren, heeft dat ons veel te zeggen. Dan wordt het duidelijk hoe geweldig ernstig Hij het meent, wanneer Hij zegt, dat niemand in het Koninkrijk Gods kan binnengaan, wanneer hij niet wordt wedergeboren uit water en Geest. Wij leren daaruit, dat de Heere hier een vaste regel stelt, waarvan nooit wordt afgeweken en waarop geen enkele uitzondering mogelijk is. Hier blijft maar één conclusie over: wij allen, groten en kleinen, aanzienlijken en geringen, rijken en armen, geleerden en eenvoudigen, gelovigen en ongelovigen, kunnen het eeuwige leven alleen beërven, wanneer God ons door Zijn levendmakende genade tot nieuwe mensen maakt. Zonder wedergeboorte bestaat er voor niemand hoop en uitzicht op de hemel en de zaligheid. Wie niet wedergeboren wordt, blijft onverbiddelijk in de worgende greep der zonde, en moet door de zonde naar haar rampzalige einde worden meegesleurd. Hij heeft geen andere verwachting dan de voleindiging der zonde, dan de dood en het verderf.
-----
Vragen: 1 Uit welke delen bestaat het ware geloof en wat wordt met elk bedoeld?
2 Wat is de wedergeboorte? Hoe worden wij wedergeboren?
3 Noem een paar Bijbelse omschrijvingen van het geloof.
4 Wat is kenmerkend voor (a) historisch geloof, (b) wondergeloof en (c) tijdgeloof?