Home
Belijdeniscatechisatie
Bijbelstudie
De Catechisant
Studiemateriaal
Pastoralia
Contact
Links
Nederlandse Geloofsbelijdenis
De Kerkhervormer van Nederland
 
Als je aan iemand vraagt wie is de eerste kerkhervormer, dan zullen de meeste kerkmensen wel zeggen: Maarten Luther. Vraag je nog een naam, dan komt Johannes Calvijn erbij. De kerkhervormer van Schotland weten sommigen ook nog wel, namelijk John Knox; maar wie nu de kerkhervormer van Nederland is geweest, weet bijna niemand. We kennen misschien allemaal nog wel zijn naam, omdat zijn psalmberijming van geslacht tot geslacht werd en in sommige gemeenten nog wordt gezongen. Maar verder is hij een vergeten persoon. Toch is hij een bijzonder belangrijk persoon geweest voor de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, en daar hebben wij nu nog steeds profijt van.
 
Mijn bedoeling is om iets uit zijn leven te vertellen en vervolgens iets uit zijn (zeer weinige) geschriften door te geven.
 
Verder vind je een paar psalmverzen (in oud-Nederlands) en enige uitspraken van hem uit een brief of boek.
 
We beginnen maar gewoon met zijn jeugd. Pieter Dathen is geboren in 1531 in het stadje Mont-Cassel. Dat stadje hoorde toen bij de Verenigde Nederlanden, maar tegenwoordig bij Frankrijk. Zijn naam wordt later als Petrus Datheen of als Petrus Dathenus geschreven.
 
Zijn ouders zijn "goed" rooms en al jong wordt Pieter naar een streng klooster in Yperen gebracht om te worden opgeleid voor priester in de "heilige Katholieke Kerk".
 
In dat klooster vindt de grote ommekeer van Petrus Datheen plaats. God opent zijn ogen voor de Bijbelse waarheid.
 
Hoe dat precies in zijn werk is gegaan, weten wij niet. Datheen heeft er nooit over verteld. Waarschijnlijk is het vooral door de bloedige vervolgingen in zijn dagen geweest - zijn jeugdjaren zijn de vreselijkste van heel die eeuw! -, dat Datheen tot ander inzicht is gekomen.
 
Bekend is, dat een eenvoudige jongen van negentien jaar, schoenmaker Maarten, de eerste bloedgetuige van Christus wordt in die stad en dat hij op de brandstapel zo'n getuigenis geeft, dat het diepe indruk op de menigte maakt. Hij zegt: "Er is geen vergelijking mogelijk tussen dit vuur" (en hij wijst op de brandstapel die zal worden aangestoken) "en het eeuwige vuur. Na een kort lijden, zal ik eeuwigdurende vreugde genieten." Als de monnik daarop Maarten's ziel verdoemt, roept iemand van het volk met luide stem: dat kunt u niet!
 
En deze of een andere gelijksoortige gebeurtenis heeft waarschijnlijk veel bijgedragen tot de twijfel bij vele roomse mensen en kloosterlingen of hun godsdienst wel de ware was.
 
Grote opschudding geeft het wel zeker in het klooster, in de stad Yperen en ook in Mont-Cassel, dat de jonge monnik Petrus Datheen reeds op achttienjarige leeftijd de leer der Reformatie omhelst en vrijmoedig voor zijn geloof uitkomt en dat ook direct overal in het openbaar gaat prediken. Het is een daad van grote geloofsmoed om de spot en smaad van de medemonnikken te verdragen en het kloosterleven nu vaarwel te zeggen.
 
Maar de roomse kerk laat hem niet vrijuit preken, daarom vlucht hij naar Engeland, waar een vluchtelingengemeente is. Daar ontmoet hij godzalige predikanten, door wie hij grondig onderwezen wordt in de leer der zaligheid. Zo wordt hij opgeleid tot predikant.
 
Maar drie jaar later moet hij met heel de gemeente het land verlaten, omdat de godzalige koning Edward VI sterft. Ze komen in Oost-Friesland (tegenwoordig Noord-Duitsland) aan, maar mogen zich daar niet vestigen. Na een lange zwerftocht mogen ze in de Lutherse stad Frankfurt am Main gaan wonen. Ze krijgen daar een kerkgebouw te leen, waarin ze hun Gereformeerde eredienst mogen houden. Daar beroepen ze Datheen tot predikant en op de leeftijd van 24 jaar mag hij nu het Woord van God uitdragen.
 
In deze gemeente mag hij gelukkige jaren hebben met zijn vrouw en hun eerste kinderen. Het is een oase in hun levenswoestijn! Maar daarover is verder weinig bekend. Op zulk een tijd past zijn berijming van Psalm 84 vers 6:
 
Want ons Godt is vriendtlick end goet,
Een Sonn' end schilt tot ons behoet,
Die ons geeft eer' ende ghenaede.
 
Maar wel is het erg druk in zijn gemeente en Datheen kan het vele werk alleen niet aan, en daarom vraagt hij in een brief van 24 februari 1557 aan de kerkenraad van de moedergemeente te Emden om een dienaar van het Woord. Zijn toon is diep bewogen. Datheen is bang dat hij niet sterk en wijs genoeg is om het op te nemen tegen de vele vijanden van buiten en van binnen.
 
Hij heeft tien dringende redenen om hulp te begeren en n daarvan is:
        Ik zou tot welzijn van de Nederlanders gaarne wat schrijven, zoals velen uit de Nederlanden ook begeren, maar ik ben daarin verhinderd, omdat ik overal tegelijk moet zijn, omdat er geen andere predikant is.
 
Uit deze brief blijkt, dat Datheen heel geen harde man is, zoals velen denken. Maar de jonge dienaar van Gods Woord voelt dat het nog niet zo gemakkelijk is om predikant in die vluchtelingengemeente te zijn. Wij zouden misschien denken: die mensen zijn allemaal godzalig en vredelievend. Die mensen hebben huis en haard verlaten om in de vreemde als balling te gaan wonen, en dat allemaal om wille van het geloof... Nu, zulke mensen zullen toch in een vreemde stad geen ruzie met elkaar maken?! Maar helaas blijkt uit een uitspraak van Datheen wel dat Nederlanders helaas ook in zulke omstandigheden erg verdeeld zijn...
 
Verder zijn de Lutherse predikanten in Frankfurt het niet met de Gereformeerde of Calvinistische prediking eens en na korte tijd besluit de raad der stad dat de vluchtelingengemeente geen kerkdiensten meer mag houden. Of ze moeten het eerst eens worden met (de dwalingen van) de Lutherse predikanten. Hoe moeilijk het nu ook wordt, de getrouwe prediker wijkt van Gods Woord geen duimbreed. En dan moeten ze na bijna zeven goede en tegelijk moeilijke jaren op 26 maart 1562 ook deze veilige haven verlaten. Het wordt in het leven van Petrus Datheen steeds meer waar:
 
Als een hert ghejaeght, O Heere...
 
 
        Hofprediker van Frederik de Wijze
 
In Duitsland is een vorstendom, De Paltz, waarin een wijze en godvruchtige koning regeert. Wij kennen deze vorst wel: hij is het die de opdracht geeft om een Catechismus op te stellen die onder ons volk zo heel erg bekend is: de Heidelbergse Catechismus. Heidelberg is de plaats, waar deze Catechismus wordt geschreven. Caspar Olevianus en Zacharias Ursinus zijn de belangrijkste opstellers ervan. Waarom wil Frederik III - die ook wel wordt genoemd: Frederik de Wijze, of: Frederik de Vrome - dat een Catechismus wordt opgesteld? Omdat hij de zaligheid van de jeugd van zijn volk zo belangrijk vindt. Hij heeft zijn volk werkelijk lief en zorgt voor hen met al zijn kracht. Niet alleen voor het tijdelijke leven, maar vooral ook voor het eeuwige leven.
 
Frederik III wil dat de jeugd tot de kennis van God en Zijn Woord wordt gebracht. Waarom wil deze vorst dat toch? Omdat hij met heel zijn hart houdt van Gods Woord en dus ook van zijn volk om het tot Gods volk te maken.
 
Dit blijkt ook hieruit, dat hij zijn land open stelt voor alle verjaagde Christenen. Wanneer dan ook de jonge prediker Petrus Datheen met het grootste deel van zijn gemeente op zoek moet naar een nieuw tehuis, krijgen ze een gastvrij onthaal van deze vrome vorst! Hij geeft ze een voormalig rooms klooster en verleent ze alle ruimte om God te dienen naar Zijn Woord. Hun nieuwe woonplaats is de stad Frankenthal.
 
Nu breekt voor Petrus Datheen de belangrijkste periode van zijn leven aan. Een heel goede en rustige tijd beleeft hij in zijn nieuwe "vaderland" en toevluchtsoord. Hij dient zijn gemeente trouw, zelfs als de pestziekte heerst en zijn leven gevaar loopt. Hij proeft veel blijdschap en geluk in zijn huiselijke omstandigheden en hij heeft nu de tijd om wat te schrijven voor de begerige Nederlanders.
 
Maar vooral doet hij in deze jaren de dingen die zo belangrijk voor onze vaderlandse kerk zijn geweest. Hij berijmt de Psalmen, hij vertaalt de Heidelbergse Catechismus uit het Duits in het Nederlands en hij stelt de formulieren op voor de Doop, het Avondmaal en het huwelijk.
 
Al is Datheen nog maar net bij keurvorst Frederik III, hij wordt meteen door zijn grote kennis en godsvrucht uitgenodigd aan het hof te komen. Hier mag hij de gastvrije Frederik III dienen in het Evangelie. Hij wordt al gauw, samen met Ursinus en Olevianus, een belangrijke verdediger van het Calvinisme. Ook mag hij in naam van zijn beschermheer naar Zwitserland om met de geloofsgenoten daar te spreken over het belang van de kerk.
 
Wanneer later in Frankrijk een vreselijke burgeroorlog uitbreekt tussen roomsen en protestanten, trekt de keurvorst van De Paltz met een leger van 11.000 soldaten de verdrukte geloofsgenoten te hulp. Datheen gaat mee als veldprediker.
 
Hoewel de kerk der Nederlanden verdrukt en verstrooid is, proberen Gods knechten toch orde te scheppen in de grote chaos. Daarom wordt in oktober 1568 een vergadering samen geroepen in Wezel (net over de grens bij Arnhem), waar Datheen een belangrijke plaats inneemt als voorzitter! Op deze vergadering van predikanten en ouderlingen (het convent van Wezel) wordt besloten dat de psalmberijming van Datheen in het vervolg in de Nederlandse kerken zal worden gezongen.
 
Keurvorst Frederik III houdt steeds meer van de godzalige en geleerde predikant, zodat hij hem uitnodigt om aanwezig te zijn bij zijn huwelijksbevestiging op 25 april 1569 en direct daarna benoemt hij hem tot zijn hofprediker. Dit houdt in, dat ds. Petrus Dathenus zijn geliefde gemeente te Frankenthal moet verlaten en zich in de hoofdstad Heidelberg moet vestigen.
 
De strijd blijft Datheen niet bespaard. Angstig zijn de dagen waarin de jonge hofprediker leeft; veel aanslagen worden op de jonge protestantse kerken beraamd. En daarvan is om de kerk onder de macht van de regering te brengen. Dan zou de koning het voor het zeggen hebben in de kerk. Datheen is er fel op tegen: de koning is gewoon lid van de gemeente en de ambten van predikant en ouderling regeren en dienen de kerk.
 
De kerk moet zelfstandig tucht kunnen uitoefenen om de zonde in de gemeente te bestraffen en de zondaren die zich niet bekeren, uit de gemeente te bannen.
 
Steeds belangrijker wordt Datheen in het vorstendom De Paltz. Als er in 1571 een openbaar gesprek zal worden gehouden met de dwaalleraren van de wederdopers, is Datheen de enige spreker voor de Calvinisten en verdedigt hij de zaak des Heeren op een meesterlijke manier: vol liefde en zachtmoedigheid, tegelijk verstandig en scherpzinnig, tevens onbuigzaam en luisterend naar Gods Woord alleen. Negentien dagen duren deze besprekingen. Alle gesprekken zijn opgeschreven en in een boek uitgegeven van 640 bladzijden dik.
 
Waar wordt over gesproken?
 
Of het Oude Testament net zo belangrijk is als het Nieuwe; of Christus wel echt Mens is geworden; of kinderen in zonde ontvangen en geboren worden; of Gods kinderen in de tijd van Mozes en David op dezelfde manier zijn zalig geworden als wij; of het offer van Christus genoeg is om ons van alle zonde en straf te verlossen; of een Christen bezittingen mag hebben; of een Christen wel minister of burgemeester mag worden; en of de kinderen van Christenen gedoopt moeten worden...
 
In deze besprekingen komt duidelijk naar voren wat een vredelievend man Datheen is, en hoe geduldig hij weet om te gaan met de tegenstanders, die steeds weer proberen om door sluwe antwoorden Gods Woord te ontkrachten.
 
 
        Petrus Datheen in de Nederlanden
 
In het jaar 1566 komt Datheen in ons vaderland terug, vooral in het tegenwoordige Belgi, wat dan de Zuidelijke Nederlanden heet. In die tijd is Noord-Nederland de leer der Reformatie lang niet zo diep in het volksleven ingedrongen als in de Zuidelijke Nederlanden, Vlaanderen vooral. Duizenden lezen daar in de Bijbel, al is het nog zo streng verboden. Duizenden verlangen sterk naar de zuivere prediking van Gods Woord, maar dat is helaas nog niet mogelijk, behalve in het geheim...
 
Het jaar 1566 is een heel belangrijk jaar voor onze vaderlandse kerk. Het wordt wel het "wonderjaar" genoemd. Tegen de steeds vijandiger wordende koning Filips II van Spanje verzetten de Christenen van Nederland zich steeds meer. Op 5 april wordt "het smeekschrift der edelen" bij de landvoogdes, Margaretha van Parma, ingediend. Omdat er ook dan niets verandert, breekt de beeldenstorm over Nederland los. Dit is niet door Datheen aangestoken, maar later wel door hem goedgekeurd!
 
Door dit alles worden er honderden "hagepreken" gehouden. Met gevaar voor hun leven komen grote scharen mensen samen om naar de zuivere prediking te luisteren.
 
Datheen wordt nu door de Nederlandse gemeenten geroepen om zijn kracht en wijsheid te besteden tot nut van de zo verdrukte kerk in ons vaderland. Wanneer hij op zijn tocht door Nederland op een dag in Poperingen een hagepreek houdt, heeft hij wel 15.000 mensen onder zijn gehoor!
 
Terwijl Petrus Datheen in ons vaderland is, wordt in Gent een belangrijke kerkvergadering gehouden, waarop wordt voorgesteld om aan koning Filips II drie miljoen goudguldens aan te bieden om van hem volkomen godsdienstvrijheid te ontvangen. Er wordt wel veel geld bijeengebracht, maar er komt niets plan terecht om het aan de koning aan te bieden. In plaats daarvan wordt het besteed om bij Frederik III een leger van soldaten te werven, om de strijd aan te binden tegen de gruwelijke, Spaanse verdrukkers. Op 1 december spreekt immers de Synode te Antwerpen uit, dat er opstand mag worden gepleegd tegen een overheid die op een wrede wijze haar onderdanen de godsdienstige en staatkundige vrijheden onthoudt. En op 1 januari 1567 komt de Synode nog een keer bijeen in Antwerpen om het plan tot gewapend verzet nader te bespreken. In deze tijd ontmoet onze getrouwe prediker voor het eerste de Vader des vaderlands, Prins Willem van Oranje.
 
Nu gaat de opstand beginnen, maar er worden zware verliezen geleden en de Prins van Oranje durft geen hulp te bieden. De Prins durft het niet met God alleen, hij wil eerst een bondgenootschap met machtige vorsten. Datheen ziet dat alleen God ons vaderland zal bevrijden. En hoewel het eerst mislukt, zal binnen vijf jaar blijken dat Datheen het juist heeft gezien. Maar ondertussen gaat het eerst radicaal verkeerd; de tijd is er nog niet rijp voor, zoals in onze 'Nationale Psalm' het Wilhelmus wordt gezongen:
Soo het den wille des Heeren
Op die tijt had gheweest/
Had ick gheern willen keeren
Van v dit swaer tempeest:
Maer de Heer van hier bouen
Die alle dinck regeert/
Diemen altijt moet louen
En heeftet niet begheert.
 
Daarom schijnt het dat in 1567 de zaak van de Gereformeerde kerk en vooral van de Gereformeerde leer ernstig wordt beschadigd. Door deze mislukte opstand wordt de vervolging door de roomsen en de Spanjaarden nog wreder en feller...
 
Zowel Prins Willen als Datheen moeten in april 1567 het land ontvluchten. Datheen gaat weer terug naar De Paltz om als hofprediker keurvorst Frederik III te dienen. Inmiddels stuurt koning Filips II de wrede hertog Alva naar de Nederlanden om met ijzeren hand de protestanten terug te brengen in de "heilige roomse moederkerk". De Tachtigjarige Oorlog begint!
 
In 1572 veranderen omstandigheden in Nederland echter geheel en al. Op 1 april nemen de watergeuzen bij verrassing Den Briel in en andere steden gaan snel daarna over naar de Prins. Willem van Oranje komt terug en wil orde op zaken stellen. Om dat in de kerkelijke aangelegenheden te doen, vraagt hij aan Petrus Datheen om van stad tot stad in Holland, Zeeland, Utrecht en West-Friesland de godsdienstige zaken te regelen. In 1566 is het aan Prins Willem van Oranje wel duidelijk geworden, hoe groot het verschil in visie tussen Datheen en hem is. Datheen wil geen godsdienstvrijheid, Oranje wil dat wel; maar toch acht hij deze godzalige predikant z hoog, dat hij juist hem als kerkhervormer wenst te hebben! Zou hij toch inzien, dat de mening van Datheen juist is?
 
De Prins geeft hem een brief mee, waarin hij aan alle burgemeesters en andere overheidspersonen opdracht geeft om precies te doen, wat ds. Datheen goed vindt!
 
Deze brief van 30 augustus 1572 luidt als volgt:
Willem bij de gratie Gods Prins van Oranje, Graaf van Nassau, Heer van Breda, Burchtgraaf van Antwerpen, Stadhouder en kapitein-generaal over Holland, Zeeland, West-Friesland en Utrecht.
Dagelijks arbeiden wij met alle mogelijke vlijt aan het welzijn van de Nederlanden, zowel in de religie als in politieke zaken. Wij vinden het hoognodig, dat enige aanzienlijke, voortreffelijke en ervaren en ook vertrouwde personen komen om de zaken van de Godsdienst in orde te brengen; want daaraan is zeer veel gelegen.
Zo is het dat wij ons geheel en volkomen betrouwen op de naarstigheid, vroomheid, getrouwheid en bijzonder grote ervaring van de Hooggeleerde Meester Petrus Dathenus.
Wij hebben hem macht gegeven en speciaal bevel om in onze naam naar de Nederlanden te reizen en daar met advies van de Staten goede orde te stellen in godsdienstige en politieke zaken. Zoals hij denkt dat nodig is voor de meeste rust, vrede, eenheid en welzijn van ons land en zijn inwoners.
 
Als eerste begeeft Datheen zich naar Zierikzee en beveelt de predikant om in deze stad en omliggende dorpen de kerken te reinigen van het roomse bijgeloof en te zorgen voor goed onderwijs aan de jeugd. Op 19 september is hij in Delft en zo gaat hij door van stad tot stad. In de tweede helft van 1573 wordt hij ook de vertrouweling van de broers van Prins Willem van Oranje: Jan en Lodewijk van Nassau, zodat hij zelfs is ingewijd in het geheimschrift dat deze drie adellijke broers onderling gebruiken!
 
Datheen heeft het werkelijk bijzonder druk: er is zo buitengewoon veel te regelen en te onderwijzen...! En de Prins is buitengewoon tevreden over deze stoere en onbuigzame, maar tegelijk ook zachtmoedige Calvinist, de vader van onze vaderlandse kerk: Petrus Dathenus. De Prins wil hem zelfs als zijn hofprediker hebben. Maar helaas meent Datheen te moeten bedanken. Hij blijft in dienst van Frederik III, in De Paltz.
 
Wel arbeidt hij regelmatig in de Nederlanden en onvermoeid zet hij zich in voor de opstand tegen Spanje en tegen Rome. Afwisselend is hij in Duitsland om Frederik III te dienen, en in Nederland om onze kerk te stichten en te versterken. In 1575 woont hij de huwelijkssluiting van de Prins van Oranje met Charlotte van Bourbon bij. In 1576 sterft de keurvorst en moet Datheen Heidelberg verlaten. Hij gaat weer bij zijn geliefde gemeente in Frankenthal wonen en komt weer enigszins toe aan huiselijk leven bij zijn vrouw, in zijn gezin.
 
Maar in 1578 vertrekt Datheen weer naar Holland om in Dordrecht deel te nemen aan de synodevergadering. Hij wordt ook hier tot voorzitter gekozen. Kun je zien hoeveel vertrouwen Datheen in ons vaderland geniet!
 
Op deze vergadering wordt opnieuw besloten dat de psalmberijming van Datheen in de kerken gezongen zal worden en aan hem wordt daarbij gevraagd om de Bijbelvertaling ter hand te willen nemen. En alsof ds. Petrus Datheen het al niet druk genoeg heeft, wordt hem ondertussen ook even gevraagd het hoofdwerk van Johannes Calvijn, de Institutie, in het Nederlands te vertalen...
 
Tijdens deze belangrijke synodevergadering komt van drie steden het dringende verzoek om Petrus Datheen tot predikant te mogen hebben. Amsterdam, Brussel en Gent willen deze zo voortreffelijke prediker graag hebben. De synode besluit dat hij naar Gent zal gaan.
 
Nadat de Synode is beindigd - en nadat Datheen eerst in Utrecht in een gereinigde roomse kerk heeft gepreekt en nadat hij daarna in Amsterdam zelfs twee predikanten heeft bevestigd en nadat hij in Antwerpen tenslotte met de Prins van Oranje een onderhoud heeft gehad -, vertrekt Datheen naar Gent, waar hij vroeger heeft gepreekt. De bevolking heeft hem lief en hij heeft deze bevolking lief. In het Vlaamse land heeft het Calvinisme een grote groei doorgemaakt en Datheen arbeidt er met al zijn krachten.
 
Datheen schrijft:
        Ik ondervind dagelijks dat de oogst zeer groot is, maar het getal van bekwame en getrouwe arbeiders is klein. Daarom bid ik de Heere des oogstes met bedroefd hart dat Hij veel arbeiders in Zijn oogst zal schikken.
 
Hoe hoog in achting Datheen staat, bewijst wel het dringende verzoek van de kerkenraad van Amsterdam, die hem zelfs in 1580 nog weer als zijn predikant begeert!
 
In Holland is de situatie inmiddels niet gemakkelijk: de Prins wil daarom eerst eenheid tussen roomse en protestantse landgenoten om tegen Spanje te strijden en sluit de Pacificatie (vrede) van Gent, waarin voorlopig aan iedereen vrijheid van godsdienst wordt gegarandeerd. En aan de Staten wordt overgelaten om later daarover een definitief besluit te nemen.
 
Datheen is hier fel op tegen. De roomse kerk is immers de valse kerk, en daaraan wenst Datheen en met hem de Calvinisten, geen vrijheden toe te kennen. Samenwerking met roomsen is altijd onmogelijk, omdat zij uiteindelijk vijanden blijken te zijn van de Gereformeerde religie!
 
Achteraf zal blijken dat Datheen gelijk heeft, maar intussen komt er nu een grote verwijdering tussen onze geliefde Prins van Oranje en onze evenzeer geliefde Petrus Datheen. O, wat erg! Waar Prins Willem in 1573 nog heeft geprobeerd Datheen als hof-prediker te benoemen, daar worden vijf jaren later deze beide grote en verdienstelijke mannen helaas elkaars tegenstanders, bittere tegenstanders!
 
In Gent waarschuwt Datheen openlijk tegen de pacificatie van Willem van Oranje. Hierdoor groeit in deze belangrijke stad steeds meer verzet tegen de politiek van de Prins. Dat Datheen dit doet, is niet verkeerd, maar dat hij zich in Gent door een verleider laat ophitsen, is zeer kwalijk. Daarom is helaas de naam van onze grote kerkhervormer met een zwarte vlek besmeurd.
 
De Prins laat het er niet bij zitten en gaat op 18 augustus 1579 naar Gent. Datheen, die zich tegen de Prins verzet heeft, verlaat daarom de stad. En de beide grote mannen, die terecht Vader des vaderlands en vader der vaderlandse kerk mogen heten, zullen elkaar nooit meer ontmoeten. De Prins is verbolgen en wil nooit meer iets van Datheen weten!
 
Toch is Petrus Datheen geen opstandeling, zoals de sluwe verleider in Gent, door wie Datheen zich helaas in de val laat lopen. Datheen strijdt al die jaren voor Gods Woord en het belang van onze Gereformeerde kerk, al handelt hij niet altijd verstandig.
 
Datheen vlucht naar zijn geliefde gemeente en gezin te Frankenthal en schrijft vandaar een brief aan Prins Willem van Oranje. Op 27 september schrijft de Prins aan Datheen dat hij het hem zeer kwalijk neemt, wat hij allemaal heeft gezegd en gedaan.
 
We zien hier, hoe een zeer aanzienlijk en geliefd prediker binnen zeer korte tijd verdacht en verjaagd kan worden en uiteindelijk in oneer de rest van zijn dagen slijt. Door predikanten en synoden en zelfs door graaf Jan van Nassau worden veel pogingen aangewend om de geliefde prediker weer met de geliefde Prins te verzoenen, maar het lukt niet.
 
 
        Laatste verblijf in de Nederlanden
 
Op verzoek van velen keert Datheen in 1583 naar Gent terug (inmiddels is hij 52 jaar). Maar na een jaar moet hij de stad weer verlaten omdat de Spanjaarden haar innemen. In totaal verlaten 9.000 families / gezinnen de bloeiende stad Gent, die daarna voor altijd een armoedig bestaan kent... Datheen gaat naar Middelburg, maar krijgt bevel om de stad direct weer te verlaten. In oktober preekt hij in Gouda en andere steden van Holland en waarschuwt tegen de samenwerking die de Staten willen met het roomse en verraderlijke Frankrijk.
 
Daarom laat Prins Maurits een bevel uitgaan om Petrus Datheen gevangen te nemen. Nu moet onze geliefde prediker opnieuw vluchten. Op 2 november 1584 wordt hij in Utrecht gevangen genomen. Daar moet hij schriftelijk antwoorden op 81 vragen, hoe en waarom hij heeft gesproken en gehandeld. En wonderlijk: hierna laat men hem los. Datheen vertrekt uit de Nederlanden om er nooit meer terug te keren. Hij vestigt zich nu met zijn gezin in Noord-Duitsland en probeert met een dokterspraktijk in zijn onderhoud te voorzien. Als monnik heeft hij ook medicijnen gestudeerd, dus dat kan mooi.
 
Als hijzelf op het ziekbed komt, bezoekt een kwakzalver hem, die verstrikt is in allerlei vreselijke en godonterende dwaalleringen. De oude, zwakke, zieke en zeer teleurgestelde predikant-dokter, die wij innig liefhebben, laat zich helaas in deze dwalingen verstrikken en wijkt korte tijd af van het rechte spoor der Waarheid. Zelfs schrijft hij een brief, waarin hij de waarheid van Gods Woord verwerpt...
 
O, wat kan ook een begenadigd mens diep vallen...!
 
Zijn ambtsbroeders in Nederland horen ervan en zijn diep bedroefd. Op 29 april 1586 schrijft een oude en zeer godzalige predikant, Arnoldus Cornelissen, te Delft, namens vele predikanten een brief aan Datheen en vraagt wat van al die geruchten waar is. Ze willen het eerst nauwkeurig onderzoeken, voordat ze hun geliefde ambtsbroeder veroordelen; ze willen niet op geruchten afgaan.
 
Hij schrijft dan onder andere als volgt:
Dit zijn droevige geruchten, die over u worden verteld, welke wij naar de aard der liefde niet begeren te geloven, of ze moeten eerst bewezen zijn. Ons gevoelen is dat u veel te goed in Gods Woord bent gegrond - zoals u ook aan anderen met zegen hebt onderwezen (terwijl u n van de allereerste dienaars in Nederland bent en als het ware de vader van ons allen) -, dan dat u op zo'n manier zou afwijken.
 
Kort daarop wordt een synode gehouden en op deze synode wordt besloten twee predikanten naar Datheen te sturen om met hem te spreken en hem - indien mogelijk - weer terug te brengen van het heilloze spoor der dwaling. Onderweg sluit een derde predikant zich bij hen aan en door Gods goedheid vinden ze Datheen spoedig en hebben een ernstig en zeer lieflijk gesprek met hem, waarin Datheen eerlijk belijdt dat hij door zwakte en verdriet open stond voor de vreselijke dwaling, maar dat hij daar al mee gebroken heeft.
 
De beide broeders zijn zeer verheugd en vragen Datheen om een brief te schrijven, waarin dit alles duidelijk wordt verteld. Dat doet Datheen dezelfde dag nog. Deze brief - het laatste schrijven van Datheen's hand en van grote waarde - begint hij als volgt:
        Genade en vrede door Christus Jezus. Eerwaardige mannen-broeders, waarde ambtgenoten! De afgezant der synode, te 's-Gravenhage gehouden, Johannus Gerobulus, getrouw dienaar der kerk te Vlissingen, voorzien van uw brief, alsook de heer Pezelius, zeer beroemd godgeleerde, zijn behouden tot mij gekomen en hebben, niet door toeval, maar door de bijzondere voorzienigheid Gods, tot reisgenoot verkregen de heer Menso Alting, een broeder, bij mij zeer geliefd, wier aankomst mij hoewel geheel onverwachts toch zeer aangenaam, ja hoogstaangenaam is geweest. Ik heb het gevoelen der eerwaarde synode verstaan en haar toegenegen welwillendheid mij-waarts duidelijk bemerkt en ben ten hoogste dankbaar voor de broederlijke belangstelling, die zij jegens mij heeft gelieven aan de dag te leggen.
 
En dan belijdt hij dat hij onder de bekoring der dwaling is geraakt, maar er uiteindelijk mee heeft mogen breken.
 
Op 17 maart 1588 is Petrus Dathenus, de beroemde, maar ook verguisde kerkhervormer van Nederland, op 57-jarige leeftijd, in vrede, in de Heere ontslapen en in Elbing begraven.
 
Uit genade alleen is hij zalig geworden!
 
 
        Datheen en de Psalmberijming
 
Petrus Datheen begrijpt goed dat zingen in de kerk heel belangrijk is. De roomse kerk doet het niet (behalve door koren), maar de kerk der Reformatie voert de gemeentezang weer in. Daarom vindt Datheen het zo belangrijk om de Psalmen te berijmen. Het is wel een heel werk, maar hij weet dat de gemeentezang net zo'n grote invloed heeft als de prediking.
 
In zijn Psalmbundel heeft hij in een voorwoord het volgende van Calvijn overgeschreven:
        Er wordt in de kerk op twee manieren gebeden, de ene manier is alleen met woorden; de andere met zingen. En in de praktijk zien we dat het zingen grote kracht heeft om het hart der mensen te bewegen en met min of meer vurige ijver te ontsteken om God aan te roepen en te loven.
        Maar we moeten wel opletten dat dit zingen niet wild of lichtvaardig is, maar plechtig en ernstig (zoals Augustinus zegt). Zodat er een groot onderscheid is tussen gewone muziek om mensen te vermaken n de Psalmen die men in de gemeente zingt in de tegenwoordigheid van God en van Zijn engelen. Wij hopen dan ook dat deze Psalmen heilig en rein bevonden zullen worden, aangezien ze geheel en al tot stichting gericht zijn. Maar niet alleen voor de kerk zijn ze geschikt, want ze kunnen ook in huis en op het veld een middel zijn om ons op te wekken om God te loven en ze kunnen onze harten tot Hem opheffen, om onszelf te vertroosten. We kunnen vanuit de Psalmen overdenken Zijn grote kracht, goedheid, wijsheid en gerechtigheid; wat veel nodiger is, dan ik kan zeggen.
        De Heilige Geest vermaant ons niet zonder reden zo dringend om ons in God te verheugen en al onze blijdschap op Hem te richten. Want Hij weet wel hoe geneigd wij zijn om ons te verblijden in ijdele lichtvaardigheid. En dan zoeken we zotte middelen om ons te vermaken.
        Onze Heere legt ons alle middelen voor om ons af te houden van de begeerlijkheden des vleses en de lusten der wereld.
En opdat wij ons in de geestelijke vreugde, die Hij ons zo aanbeveelt, zouden oefenen en ons nergens anders mee bekommeren. En van de voornaamste middelen om ons te vermaken is de muziek. We moeten die dan ook zien als een gave van God, met dt doel. Daarom moeten wij er des te nauwkeuriger op toezien dat we ze niet misbruiken, zodat muziek tot onze verdoemenis strekt, terwijl ze eigenlijk geschikt en bedoeld was tot onze zaligheid. Daarom moeten we ervoor zorgen dat de zang eerbaar is en ons geen oorzaak geeft tot ontucht of wellust; ja, dat ze niet dient tot hoererij of onkuisheid.
        Maar er is nog meer: er is geen ding ter wereld dat zo sterk de zeden benvloedt, als muziek. We zien dagelijks, dat muziek een verborgen en bijna ongelooflijke kracht heeft om harten op de n of andere manier te bewegen. Daarom moeten we des te beter ervoor zorgen dat muziek en zang ons nuttig en niet schadelijk zijn. Daarom hielden de kerkvaders oneerbare liederen voor dodelijk en duivels vergif om ons te vergiftigen. Van belang is dan ook de inhoud van de woorden en de melodie van de muziek. Het is waar, dat lle kwade samensprekingen goede zeden verderven (zoals Paulus zegt), maar als de melodie erbij komt, des te meer. Het vergif druppelt door de muziek des te dieper in het hart!
        Daarom moeten wij zulke liederen hebben die eerbaar en heilig zijn. En dat zijn de Psalmen, die de Heilige Geest Zelf ons heeft gegeven. Als wij de Psalmen zingen, zijn we ervan verzekerd, dat God Zelf ons de woorden in de mond legt. Daarom moeten mannen en vrouwen en kinderen zich eraan wennen om Psalmen te zingen; zodat we ons bij het gezelschap der engelen voegen. Laat ons niet zingen als een vink, een nachtegaal of papegaai ..., want die zingen zonder verstand.
 
 
        Een kostelijke parel van Christelijke Vertroosting
 
Op 24 juni 1584 - midden in een zeer woelige tijd van grote druk en benauwdheid - voltooit Datheen een geschrift, dat als enige tot in onze tijd herdrukt wordt. De volledige titel luidt:
        Een Christelijke samenspreking uit Gods Woord,
        tot troost van alle bekommerde harten,
        die de Wet en het Evangelie
        (dat is Mozes en Christus)
        niet recht kunnen onderscheiden;
        en die zich met de last der zonden
        en met de vreze voor de verdoemenis
        bezwaard vinden.
 
Hierin geeft Petrus Datheen veel onderwijs voor jong en oud die last hebben van hun zonden en die zich door satan de troost van het eenvoudig geloof laten ontroven. Het is in de vorm van een samenspraak tussen Petrus Dathenus en Elizabeth de Grave. Datheen mag een nauwe en innige vriendschap met deze godzalige vrouw hebben en spreekt veel met haar; en nu vertrouwt hij dit gesprek toe aan het papier, zodat het uitgegeven kan worden.
 
Ik zal een paar dingen eruit overschrijven met de bede dat ook jullie het begrijpen en mogen beleven. Misschien vind je het nu nog niet interessant, maar dan moge de HEERE geven dat je het eenmaal persoonlijk mag leren kennen.
 
De voorrede begint als volgt:
        Eerbare en deugdzame Jonkvrouw, zeer geliefde zuster en goede vriendin,
        De Heilige Schrift, alle kerkelijke geschiedenissen en dagelijkse ervaringen betuigen zeer overvloedig dat Gods kinderen aan velerlei kruis en aanvechting in deze wereld onderworpen zijn. Maar geen uitwendig kruis kan vergeleken worden met de inwendige strijd, waarin de gelovige mens zich gestadig bevindt. Hij gevoelt de zonde, hij smaakt de vloek van de Wet en de toorn van God en ziet de hel open.
        Hij voelt zich beroofd van alle hoop op genade en zaligheid en van de kracht van de Heilige Geest om God te kunnen aanbidden en te kunnen aanroepen.
 
Datheen biedt haar dit geschrift nu aan als
een bewijs en onderpand der godzalige vriendschap en eenheid, die wij in Christus Jezus door de band des Heiligen Geestes hebben.
 
Als ds. Datheen Elizabeth op straat ontmoet, ziet zij er droevig uit en hij vraagt haar, hoe dat komt. Zij zegt dat ze zo treurt over haar zonden, waarmee ze God bedroeft. Datheen wil haar dan onderwijs geven over het Evangelie en zegt:
        Laten wij hier aan deze waterkant, buiten het lawaai van het volk, onder de groene bomen gaan zitten, waar de vogels met hun vrolijk gezang God hun Schepper loven en prijzen en ons bewegen om ons ook in Hem te verheugen en Hem voor Zijn weldaden te danken.
Dan doet ds. Datheen een ernstig en zeer lieflijk gebed en begint zijn geliefde vriendin in het geloof, te onderwijzen. Hij zegt dan onder andere de volgende dingen:
        Het is voor Gods kinderen soms nuttig en nodig om aangevochten te worden en in het diepste der hel geworpen te worden, opdat zij zich niet verheffen, maar onder Gods krachtige hand zich verootmoedigen, aanhouden met bidden en met aangevochtenen medelijden hebben.
 
        God eist in Zijn Wet van ons, wat wij niet doen kunnen, om zo Zijn recht op ons te laten blijken en om ons te overtuigen van onze schuld, opdat wij die schuld, armoede en onmacht gevoelen en belijden, daaronder ons buigen en verootmoedigen en Hem smeken om vergeving. En dat wij daarna door een vast geloof en hartelijk vertrouwen Hem aannemen en ons toeigenen, Die onze schuld op Zich heeft genomen en volkomen heeft betaald.
 
Elizabeth zegt dan: Och, dat is voor mijn benauwd geweten een zeer heerlijke troost.
 
Datheen gaat vervolgens uitleggen hoe Gods kinderen zich met het Evangelie mogen troosten en zegt:
       Het Evangelie verkondigt ons dat God arme zondaren wil genadig zijn en hun zonden geheel wil vergeven en vergeten, ja dat Hij ze om Christus' wil voor heilig en rechtvaardig wil houden, en dat uit louter genade, zonder toedoen van enige werken, alleen door het geloof. Dit is dus bedoeld om u te troosten door het geloof in Jezus Christus en om door Evangelische beloften de onrust van uw geweten te stillen. En voelt gij dan, dat uw zonden meer zijn dan de haren van uw hoofd, zo zult gij u hierdoor niet laten brengen tot moedeloosheid, maar het zal u dienen als een tuchtmeester om tot Christus te gaan en om door het geloof in Hem te zoeken, te vinden en u toe te eigenen, al wat de Wet van u eist en wat u nodig is om zalig te worden.
 
Maar Elizabeth voelt dat er bij Gods kinderen toch ook een heilig leven vol goede werken dient te zijn. Datheen stemt dat graag toe, maar maakt duidelijk dat deze goede werken niet wettisch mogen zijn, maar dat ze uit dankbaarheid moeten geschieden; n we moeten niet vergeten dat er ook dan nog heel veel gebreken en zonden aan kleven en dat we ook daarvan de vergeving bij Christus mogen zoeken:
        Want de kracht van de offerande van Christus, die eenmaal ter bestemde tijd te Jeruzalem geschied is, strekt zich uit van het begin der wereld tot het einde, om hen zalig te maken, die deze offerande van Christus door het waarachtig geloof aannemen en zich toeigenen.
 
Deze Parel van Christelijke Vertroosting van onze geliefde ds. Petrus Datheen, de vertaler van de Heidelbergse Catechismus, is voor zeer veel bekommerde zielen tot grote troost geweest!
Die niet en gaet in der godloosen raet,
Die op den wegh der sondaeren niet staet,
End niet en sitt by den spotters onreyne,
Maer dach end nacht heeft in Gods Wet alleyne,
Al synen lust, Ia spreeckt daeruan eenpaer,
Die mensch is welgelucksaligh voorwaer.
        Psalm 1 vers 1
 
 
Als een hert ghejaeght, O Heere,
Dat verssche water begheert:
Also dorst myn siel oock seere,
Nae v myn Godt hoogh gheert.
End spreeckt by haer, met geklagh:
O Heer wanneer komt dien dag,
Dat ick doch by v sal wesen,
End sien v aenschijn ghepresen?
        Psalm 42 vers 1
 
 
Gheen meerder goet Heer ghy my gheuen mueght,
Dan dat ghy my vernedert end maeckt kleyne,
Dat ick leer' uwe Wet die my verhueght.
Veel siluers end goudts geloutert seer reyne,
Is niet so kostelick noch goet van dueghdt,
Als v' Woort is end uwe Wet alleyne.
        Psalm 119 vers 36
 
 
Hoe lieflick O Heer end hoe reyn,
Sijn uwe woninghen niet kleyn?
Lustigh sijns' end schoon bouen maete.
Myn hert' verlanght met allen seer,
End sucht nae uwen tempel, Heer,
Myn siel' end lyf in desen staete,
Sijn in den waeren Godt verblydt,
End seer verhueght tot deser tydt.
        Psalm 84 vers 1
 
 
Wilt ghy met ernst die sonden,
Toerekenen voortaen,
Wie kan t'eenighen stonden,
In v' oordeel bestaen?
Maer ghy wilt Heer vergheuen,
Die sonden minst end meest,
Dies sijt ghy in dit leuen,
Seer bemindt end ghevreest.
        Psalm 130 vers 2
 
 
Opent uwen mondt,
Seer wydt onbelaeden
Ick sal hem terstondt,
Met goeder spyse,
Nae myne wyse,
Ryckelick versaeden.
        Psalm 81 vers 12
 
 
Ick hebb' den Heer lief, want hy heeft verhoort,
Myn stemm' ende bidden in myn swaer klaegen,
Ick sal hem bidden in myn quaede daeghen,
Om dat hy hem tot my neyght nae sijn woort.
        Psalm 116 vers 1
 
 
Godt behoedt v voortaen van quaet,
Hy sal v' siel' voorwaer,
Behoeden voor gheuaer:
End' als ghy wt of oock ingaet,
Sal hy v steedts bevryden,
End met gaeuen verblyden.
        Psalm 121 vers 4
 
 
Heer wyst my doch uwe weghen,
Die ghy wilt dat ick sal gaen,
Tot denseluen maeckt ghenegen
My, end doet my die verstaen.
Leert end stiert my nae v Woort,
In uwe waerheit gepresen,
Ghy sijt myn help, dies nu voort
Wacht ick op v, in dit wesen.
        Psalm 25 vers 2
 
 
Myn Godt voedt my als myn heerder ghepresen,
Dies sal ick geenes dinghs behoeflick wesen.
In t' groene gras seer lieflick hy my weydet,
End' aen dat soet' water hy my geleydet,
Hy verquickt myn siel die seer is versleghen,
Om sijns naems wil, leydt hy my in sijn weghen.
        Psalm 23 vers 1
 
In de Psalmen vindt gij Gods wonderwerken en oordelen, die Hij beide in het troosten en verlossen van Zijn kinderen en in het straffen en plagen der goddelozen bewezen heeft. Daarin vindt gij, hoe God door Zijn voorzienigheid hemel en aarde, alle schepselen, maar inzonderheid Zijn kerk regeert en bewaart... En met wlke wederwaardigheden gij ook beladen zijt, daar vindt gij troost en medicijn.
 
Maar zo heeft het God beliefd, dat wij zouden geoefend worden: door een ongehoorde ondankbaarheid en een alles durvende onbeschaamdheid.
 
Gedurende mijn ganse leven was niets mij dierbaarder, dan met alle mensen de vrede zoveel mogelijk te bewaren. Niets aangenamers zal mij thans te beurt vallen, dan de gunst van een zo verheven Prins van Oranje, die ik met zoveel trouw en levensgevaar nederig gediend heb, - indien deze gunst tenminste met een ongekrenkt geweten verkregen kan worden.
 
En van de meest noodwendige dingen in de Christenheid - welke van ieder gelovige wordt geist - is dat hij de gemeenschap der kerk in haar wezen onderhoudt, bezoekende naarstig de vergaderingen die men niet alleen des zondags, maar ook op andere dagen, houdt; om God te eren en te dienen.
 
Door aanhoudende en dodelijke ziekten neergedrukt, zelfs de laatste ure elk ogenblik verwachtende en verlangende, heb ik al wat in mijn ziel aan weifeling, bitterheid of wrok was, geheel terzijde gesteld en heb ik, door de genade des Heiligen Geestes, mijn ziel z gesterkt in de godsdienst, dat ik hoop daarbij door de gunst van de algoede en allerhoogste God tot aan mijn laatste ademtocht te volharden en daarin dagelijks vorderingen te maken.
 
Geen uitwendig kruis mag bij de inwendige strijd vergeleken worden, waarin de gelovige zich gestadig bevindt, als hij door het gevoelen van de zonde opgewekt zijnde, de toorn Gods smaakt door de vloek der Wet en als hij de open hel voor ogen ziet, terwijl hij beroofd is van alle hoop op genade en zaligheid en zelfs van de kracht des Heiligen Geestes, om God te kunnen aanbidden en te kunnen aanroepen.
 
De hoogste volkomenheid des mensen, zolang hij hier op aarde leeft, is gelegen in de oprechte bekentenis van zijn onvolkomenheid.
 
God begeert verslagen, bekommerde en benauwde harten, die hun armoede, behoeftigheid en krankheid gevoelen; opdat Hij die met de rijkdom van Zijn genade in Jezus Christus door de werking van Zijn Heilige Geest vertroost, verkwikt, rijk maakt en geneest.
 
Leer toch Gods Woord beter verstaan, opdat gij van Christus niet een andere Mozes maakt; dat is: dat gij van uw Zaligmaker en Advocaat niet een aanklager en verdoemer maakt; hetwelk de hoogste oneer is, waarmee Christus door mensen kan onteerd worden.
 
Ik dank God dat ik niet alleen een goed geweten heb, maar dat er niemand in de ganse Nederlanden is, die mij in het geringste weet te bestraffen om wille van mijn leer of leven. Alleen ben ik in ongenade gevallen van Mijnheer Prins van Oranje, waar ik geen andere oorzaak van weet, dan deze dat ik met geheel mijn hart Gods eer zocht te bevorderen; en dat ik het rijk van de anti-christ - hetwelk door Gods wonderlijke werking was uitgeroeid - nooit heb kunnen of willen oprichten; daarbij dat ik van harte gezocht heb dat het vaderland mocht verlost worden niet alleen van Spaanse, maar ook van Franse en allerlei andere tirannen.
 
Een kort onderzoek des geloofs voor degenen, die zich tot de Gemeente begeven willen.
 
Vraag 1:
Hoe zijt gij in uw hart verzekerd, dat gij een lidmaat der Gemeente van Christus zijt?
Antwoord:
Omdat de Heilige Geest met mijn geest getuigt dat ik een kind van God de Vader ben, door Jezus Christus, Zijn Zoon en mijn Hogepriester, Die door de heilige offerande van Zijn lichaam en uitstorting van Zijn bloed mij van mijn zonden gezuiverd heeft. Ik gevoel ook bovendien, dat ik door de Geest Gods tot de gehoorzaamheid van Gods geboden geroerd word.
 
Vraag 9:
Hoe kunnen wij zalig worden?
Antwoord:
Uit genade, door Jezus Christus, als wij in onze harten onwankelbaar geloven dat de hemelse Vader ons genadig is door de verdiensten van Zijn Zoon Jezus Christus.
 
Vraag 22:
Welke schatten en versierselen heeft de Gemeente?
Antwoord:
De gemeenschap der heiligen, vergeving der zonden, opstanding des vleses en een eeuwig leven.
 
Vraag 23:
Welke troost hebt gij hierin?
Antwoord:
Ten eerste dat al de weldaden van Christus aan alle heiligen en gelovigen zonder enig uitwendig aanzien des persoons gelijkelijk toekomen. Ten andere dat zij altijd vergeving van hun zonden verkrijgen van God de Vader, zo dikwijls als zij die door een vast geloof met een ootmoedig hart in de Naam van Christus begeren. Ten laatste dat zij (hoezeer ze hier ook veracht zijn) nochtans ten laatsten dage in hun eigen lichamen verrijzen zullen ten eeuwigen leven. Gelijk de ongelovigen op zullen staan tot eeuwige schande en verdoemenis.
 
Vraag 36:
Wat is de Christelijke tucht?
Antwoord:
Het is een instelling van Christus, waardoor ieder lidmaat verbonden is zijn broeder Christelijk te vermanen en andersom de vermaning gewillig te ontvangen. Anders zal hij, naar het Woord Gods, uit de gemeente geworpen en aan de duivel overgeleverd worden.
 
Door Petrus Datheen gevoegd in zijn Psalmboekje tussen het formulier van de Heilige Doop en van het Heilig Avondmaal.
 
Het begin van het Oude Doopformulier
Dewijl onze Heere Jezus Christus zegt dat wij in Gods Rijk niet kunnen komen, tenzij dat wij opnieuw geboren worden, zo geeft Hij ons daarmee een zeker bewijs, dat onze oude natuur gans verkeerd en vervloekt is, en vermaant ons daarmee, dat wij ons voor God verootmoedigen en aan onszelf een mishagen moeten hebben, ons zo bereidende om Zijn genade te begeren, opdat daardoor al onze boosheid en vervloeking van onze oude natuur afgewassen en begraven wordt. Want wij kunnen Gods genade niet deelachtig zijn, tenzij dat voorheen alle vertrouwen op ons eigen vermogen en wijsheid en gerechtigheid uit ons hart genomen is; ja ook, totdat wij alles wat van ons is, gans en al verdoemen.
Nadat Christus ons onze ellendigheid zo voor ogen gesteld heeft, zo troost Hij ons wederom door Zijn barmhartigheid, ons en onze kinderen belovende van al onze zonden te wassen, dat is: ons de zonden om wille van Zijn bloedvergieten niet toe te rekenen, en onze verdorven natuur wederom tot Zijn evenbeeld, door Zijn Heilige Geest, te vernieuwen.'
 
Uit de voorrede van zijn Psalmberijming
 
Zo iemand wilde zeggen dat het in deze tijd heel niet past om te zingen, vanwege de onderdrukking door de inquisitie en de gruwelijke vervolging, welke meer reden geven tot zuchten en wenen, dan tot zingen..., die geef ik tot antwoord:
? Eerstelijk, dat er een groot onderscheid is tussen het lichtvaardig zingen, dat de wereld doet en het zingen van de Psalmen Davids, waarin men niet alleen de stem uiterlijk hoort, maar de woorden verstaat, waardoor het hart ten hemel wordt opgeheven en wordt gesterkt in geloof, godzaligheid en geduld. Daarom is geen enkele tijd voor zulk een zingen ongeschikt.
? Ten andere vindt men hier niet alleen vrolijke dankzeggingen en lofzangen, maar ook heerlijke gebeden en klaagliederen, die ook in de hoogste benauwdheid der kerken dienstig zijn.
? Ten derde, dewijl David in zijn gevaarlijkste omstandigheden; en Christus, toen Hij aan de Joden zou worden overgeleverd, met Psalmen en lofzangen Gode gezongen en geprezen hebben, zo kunnen ook de Christenen in zulke omstandigheden desgelijks doen.