Home
Belijdeniscatechisatie
Bijbelstudie
De Catechisant
Studiemateriaal
Pastoralia
Contact
Links
Nederlandse Geloofsbelijdenis
Hoe kan God toornig zijn op David, wanneer hij het volk telt?
 
De Heere heeft Zelf David aangepord om de volkstelling te houden. In II SamuŽl 24 vers 1 lezen we het volgende: "En de toorn des HEEREN voer voort te ontsteken tegen IsraŽl; en Hij porde David aan tegen hen, zeggende: ga, tel IsraŽl en Juda." En in vers 10 lezen we: "En Davids hart sloeg hem, nadat hij het volk geteld had en David zei tot de HEERE: ik heb zeer gezondigd in hetgeen ik gedaan heb, maar nu o HEERE, neem toch de misdaad van Uw knecht weg, want ik heb zeer zot gedaan." In Jakobus 1 vers 13 staat: "Laat niemand, wanneer hij verzocht wordt, zeggen: ik word door God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade en Hij Zelf verzoekt niemand." Dus hoe kan God David verzoeken tot een zondige daad?
De kanttekening van onze statenvertaling geeft het antwoord. In kanttekening 2 op II SamuŽl 24 vers 1 staat: Niet dat Hij dit zou hebben ingegeven, maar omdat Hij naar Zijn rechtvaardig oordeel, door Zijn verborgen regering, aan de satan dit heeft willen toelaten en hem gebruiken tot een verdiende straf der IsraŽlieten en tot kastijding en vernedering van David.
Misschien merkt iemand verder op dat er dan toch maar staat, dat God Zelf tegen David zťgt: ga, tel IsraŽl en Juda. De kanttekening verwijst ons wat dat betreft naar II SamuŽl 16 vers 10. Daar gaat het over SimeÔ. David is op de vlucht voor zijn zoon Absalom. Onderweg wordt hij uitgescholden en vervloekt door SimeÔ. Eťn van Davids trouwe officieren vraagt hem toestemming om deze SimeÔ te doden voor deze majesteitsschennis. Nee, zegt David dan, dat moet u niet doen. Waarom niet? "Laat hem vervloeken, want de HEERE toch heeft tot hem gezegd: vervloek David." Nu zal toch niemand het in zijn hoofd halen om te denken, dat God letterlijk tot SimeÔ heeft gezegd, dat hij David moet vervloeken. De kanttekening legt het woordje 'gezegd' dan ook als volgt uit: Versta dit niet eigenlijk, alsof God ůf uitwendig door Zijn Woord ůf inwendig door Zijn Heilige Geest dit zou hebben bevolen; maar versta dit bij gelijkenis: aangaande Gods heimelijke regering en voorzienigheid, waardoor Hij deze SimeÔ aan de satan en aan zijn eigen boze lusten heeft overgegeven en waardoor Hij zijn boosheid, die hij vanuit zichzelf had, zo heeft geregeerd, dat Hij ze nu tegen David aanwendt om die Vaderlijk te kastijden en te vernederen en om de boosheid van SimeÔ daarna rechtvaardig te straffen.
God weet in Zijn oneindige wijsheid de boze geesten te gebruiken, zonder schuldig te staan aan hun boosheid. De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt daarover iets in artikel 13, dat handelt over Gods voorzienigheid. Daar staat: Wij geloven dat die goede God, nadat Hij alle dingen geschapen had, deze niet heeft laten varen, noch aan het toeval of het geluk heeft overgegeven, maar ze naar Zijn heilige wil zo bestuurt en regeert, dat in deze wereld niets geschiedt zonder Zijn bevel, hoewel God toch geen Bewerker is van en geen schuld heeft aan de zonde, die er geschiedt. Want Zijn macht en goedheid is zo groot en onbegrijpelijk, dat Hij zeer goed en rechtvaardig Zijn werk beschikt en doet, ook wanneer de duivelen en goddelozen onrechtvaardig handelen. En aangaande wat Hij doet boven het begrip van het menselijke verstand, dat willen wij niet nieuwsgierig onderzoeken, meer dan ons begrip verdragen kan; maar wij aanbidden met alle ootmoed en eerbied de rechtvaardige oordelen van God; ons tevreden houdend, dat wij leerjongeren van Christus zijn om alleen te leren wat Hij ons aanwijst in Zijn Woord, zonder deze grenzen te overtreden. Deze lering geeft ons een onuitsprekelijke troost, als wij daardoor geleerd worden, dat niets ons toevallig overkomen kan, maar door de beschikking van onze goedertieren hemelse Vader, Die voor ons waakt met een Vaderlijke zorg, houdende alle schepselen onder Zijn heerschappij, zodat niet ťťn haar van ons hoofd (want die zijn alle geteld), ook niet ťťn musje op de aarde vallen kan, zonder de wil van onze Vader. Waarop wij ons verlaten, wetend, dat Hij de duivelen en al onze vijanden in de toom houdt, die ons zonder Zijn toelating en wil niet kunnen schaden.
En hierin verwerpen wij de verdoemelijke dwaling der EpicureeŽn (heidense wijsgeren), die zeggen dat God Zich nergens mee bemoeit en alle dingen bij geval laat gebeuren.