Home
Belijdeniscatechisatie
Bijbelstudie
De Catechisant
Studiemateriaal
Pastoralia
Contact
Links
Nederlandse Geloofsbelijdenis
Staat rechtvaardiging aan het begin?
 
Onlangs las een lezer de volgende zin: na te zijn gerechtvaardigd wordt men geleid, onderwezen, geoefend, opgevoed. Zijn vraag is nu:
Moet er niet staan dat men, nadat men is geleid, onderwezen, geoefend en opgevoed (door het werk van de Heilige Geest), wordt gerechtvaardigd?
 
De vraag die hierachter steekt, is deze: is de rechtvaardiging van de goddeloze een weldaad aan het begin van de weg van geloof óf aan het eind? Wordt men éérst als goddeloze gerechtvaardigd, waarna het geestelijke leven zich ontplooit (in al zijn variaties), óf kan er door een kind van God (heel) veel zijn beleefd in de weg van waarachtige bekering, oprecht geloof enzovoorts, en volgt aan het eind - of in ieder geval (veel) later pas - de rechtvaardiging? Hierover wordt verschillend gedacht. Dat hoeft ons niet te verbazen, want er bijna geen enkel punt in de geloofsleer, waarover niet verschillend wordt gedacht, is 't wel?
 
Mijn mening is er één van de vele, en dus zal ik die maar achterwege laten. We hebben er meer aan wanneer we stilletjes luisteren naar het getuigenis van onze Drie Formulieren van Enigheid, die temidden van alle verschillende opvattingen in de gereformeerde gezindte toch nog steeds de grondslag vormen van onze Vaderlandse kerken.
 
Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 22 en 24. Daarin staat het nodige niet alleen over de rechtvaardiging - en hoe deze gebeurt -, maar ook over de volgorde tussen (laten we maar zeggen) rechtvaardiging en geloofsleven. Wat is eerst?
 
In artikel 21 getuigt Guido de Brès over de voldoening van Christus, onze enige Hogepriester, voor ons. Daarin staat onder andere deze zin: Wij zeggen met Paulus dat wij niet anders weten dan Jezus Christus, en Die gekruisigd; wij achten alle dingen voor drek om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus onze Heere; wij vinden allerlei vertroosting in Zijn wonden, en hebben het niet nodig enig ander middel te zoeken of uit te denken om ons met God te verzoenen, dan alleen deze enige offerande, eenmaal geschied, door welke de gelovigen in eeuwigheid volmaakt worden.
 
Artikel 22 gaat daar nader op in. Hier belijdt de kerk der reformatie in oprecht geloof het volgende: Om ware kennis van deze grote verborgenheid te ontvangen, ontsteekt de Heilige Geest in onze harten een oprecht geloof, dat Jezus Christus met al Zijn verdiensten omhelst, Hem eigen maakt, en niets anders meer buiten Hem zoekt. Want het moet noodzakelijk volgen, óf dat niet al wat tot onze zaligheid nodig is, in Jezus Christus is; óf, als het alles in Hem is, dat degene die Jezus Christus door het geloof bezit, zijn hele zaligheid heeft.
 
Hier worden heel fundamentele zaken gezegd. Het gaat hier om de oefening van het geloof. Het geloof omhelst al de verdiensten van Christus. Zou hierin de rechtvaardiging niet begrepen zijn, denk u?
 
Nu staat er heel opmerkelijk: het geloof omhelst niet alleen Christus' verdiensten, maar ook - en eerst! - Christus Zelf. Lees nog maar eens: de Heilige Geest ontsteekt in onze harten een oprecht geloof, dat Jezus Christus mét al Zijn verdiensten omhelst. Iemand die dit doet, wat dunkt u, heeft hij de hele zaligheid of niet? Zou het kunnen zijn dat iemand nog iets mist om zalig te worden, wanneer hij door een waar geloof Jezus Christus aanneemt?
 
De vaderen, op de Dordtse Synode van 1618-1619 bijeen, waren er vast van overtuigd dat dit waar is. En ze hebben dan ook dit artikel van De Brès' belijdenis voor bindend verklaard voor heel de kerk. En dat, omdat het zo door en door Bijbels is; en daarom dus ook overeenstemt met de bevinding van Gods kinderen: de Heilige Geest schenkt het ware geloof. Dat geloof omhelst Christus en al Zijn weldaden.
 
Misschien denkt u: het gaat hier toch nog niet over de rechtvaardiging?! Natuurlijk 'al de verdiensten van Christus' sluit de rechtvaardiging in, maar deze weldaad wordt niet uitdrukkelijk genoemd. U hebt gelijk. Daarom lezen we verder de volgende zin in hetzelfde artikel. Want het moet noodzakelijk volgen, óf dat niet al wat tot onze zaligheid nodig is, in Jezus Christus is; óf, als het alles in Hem is, dat degene die Jezus Christus door het geloof bezit, zijn hele zaligheid heeft. Dat volgt er uit. Wie het hier niet mee eens is en zegt: je kunt door het geloof met Christus zijn verbonden zonder gerechtvaardigd te zijn, die doet er goed aan om de volgende zin in artikel 22 te lezen: Nu, dat men zou zeggen dat Christus niet genoeg is, maar dat er naast Hem nog iets meer toe behoeft, is een al te ongeschikte godslastering; want daaruit zou volgen dat Christus maar een halve Zaligmaker was. Daarom gaat artikel 22 verder met de volgende troostrijke belijdenis: Daarom zeggen wij terecht met Paulus dat wij door het geloof alleen, of door het geloof zonder de werken, gerechtvaardigd worden.
 
Wat blijkt uit deze aaneenschakeling van zinnen? Dat volgens de Nederlandse Geloofsbelijdenis het omhelzen van Christus in een waar geloof hetzelfde is als gerechtvaardigd worden. En in de volgende zin wordt dat nog nader uitgelegd, wanneer wordt gezegd dat niet het geloof onze gerechtigheid of rechtvaardiging is, maar dat Christus Zelf onze Gerechtigheid of Rechtvaardigheid is. Lees maar mee: Maar wij verstaan niet dat het (om eigenlijk te spreken) het geloof zelf is dat ons rechtvaardigt - want het is maar een instrument, waarmee wij Christus, onze Rechtvaardigheid, omhelzen. Maar Jezus Christus, ons toerekenende al Zijn verdiensten en zo veel heilige werken, die Hij voor ons en in onze plaats heeft gedaan, is onze Rechtvaardigheid; en het geloof is een instrument dat ons met Hem in de gemeenschap van al Zijn goederen houdt; welke, de onze geworden zijnde, ons meer dan genoeg zijn tot onze vrijspreking van onze zonden.
 
Wat staat hier dus? Dat de geloofsomhelzing van Christus de rechtvaardiging is. Niet later, maar op dat moment; niet gedeeltelijk, maar volledig!
 
Artikel 24 gaat nu verder met het leven van de heiligmaking. Dit gaat niet aan artikel 22 vooraf, maar volgt erop. Hoe verhouden rechtvaardiging en heiliging zich tot elkaar? Wij geloven dat dit ware geloof, in de mens gewerkt zijnde door het gehoor van het Woord Gods en de werking van de Heilige Geest, hem wederbaart en maakt tot een nieuwe mens, en hem doet leven in een nieuw leven, en hem vrijmaakt van de slavernij der zonde. Dus het ware geloof draagt vrucht, niet in eigen kracht en nog veel minder vanuit het verbroken werkverbond, maar vanuit de geloofsvereniging met Christus, dat is: de rechtvaardiging.
 
Lees de volgende zinnen van artikel 24 maar: Dit rechtvaardigend geloof doet de mensen niet verkillen in een vroom en heilig leven. Want het is onmogelijk dat dit heilige geloof werkeloos is in de mens; aangezien wij niet spreken van een ijdel geloof, maar van zo'n geloof, dat de Schrift noemt een geloof dat door de liefde werkt, dat de mens beweegt om zich te oefenen in de werken die God in Zijn Woord geboden heeft. Deze werken zijn goed en bij God aangenaam omdat zij voortkomen uit de goede wortel van het geloof, aangezien deze werken door Zijn genade geheiligd zijn. Intussen komen zij niet in aanmerking om ons te rechtvaardigen. Want het is door het geloof in Christus dat wij gerechtvaardigd worden, ook eer wij goede werken doen.
 
Duidelijk is dat we eerst worden gerechtvaardigd en dat daarna het leven met God plaatsvindt. Is er dan geen onderwijs vóór de rechtvaardiging? Leidt Gods Geest dan niet tót de rechtvaardiging? Zeker, Gods Geest werkt in de uitverkorenen, opdat zij gerechtvaardigd worden. Hij werkt het geloof in hen, en daartoe overtuigt Hij van ongeloof. Hij leidt ze tot de gekruisigde Christus, en daartoe maakt Hij in hun harten plaats voor een GEKRUISIGDE Zaligmaker. Er moet over het algemeen heel wat 'werk worden verzet' voordat de dode zondaar, die in Adam niet lijdelijk dood, maar actief dood, dat is vijandig, geworden is, de Christus omhelst. Niettemin, alles wat aan de geloofsvereniging voorafgaat, noemt de Heilige Schrift niet geestelijk leven. Het leven ligt immers in Christus, ja: Hij is het Leven Zelf. Is er geestelijk leven buiten de vereniging met Christus om, denkt u? De geloofsvereniging met Christus is het begin van het geestelijke leven; alleen, niet het begin van de arbeid van de Heilige Geest.
 
Natuurlijk komt het in ons leven niet aan op het rechte begrip, de Bijbelse beschouwing, van de zaken (al is dat allemaal zeker niet onbelangrijk), maar het komt aan op de ware bevinding ervan. Misschien hebt u de zaken niet zo keurig op een rij, maar kunt u oprecht met Simon Petrus bij de Zee van Tiberias getuigen: "Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb." Als dat waar is, is de volgende ontzaglijke uitspraak van Paulus op u niet meer van toepassing (o, o, wat een eeuwig Gods-wonder!): "Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking." Maar dan is op u wel de volgende uitspraak waar en zal ook heerlijk worden vervuld (o, o, wat een heerlijk genade-wonder): "Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, die de Heere, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen die Zijn verschijning hebben liefgehad.